Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
21.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 16 oktober 2018, waarin partijen is verzocht aan te geven of zij een meervoudige comparitie van partijen wensen;
- de H-formulieren van partijen van 24 oktober 2018, waarin partijen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een meervoudige comparitie.
22.De verdere beoordeling
.De daarop betrekking hebbende brieven van 17 juli 2017 van de raadsheer-commissaris aan de advocaten van partijen en van 23 november 2017 van de raadsheer-commissaris aan de deskundige zijn vermeld in rapport II en maken daarmee deel uit van het procesdossier.
Het valt op dat in de balans van Eurocave Nederland BV niet is vermeld dat de heer [ex echtgenoot] nog een vordering op de BV heeft voor salaris dat wel is toegekend, maar niet is uitbetaald. (….)
In mijn concept deskundigenbericht heb ik onder 6.5 uitvoerig uiteengezet dat de bedragen die in de notulen van de aandeelhoudersvergaderingen zijn genoemd, niet kunnen worden gezien als “niet uitbetaalde salariscomponenten” die de daadwerkelijk betaalde salarissen hebben overstegen. De bedragen zijn op geen enkele wijze in de jaarrekeningen verantwoord, noch als kosten, noch als schulden, reserveringen of voorzieningen. Evenmin is gebleken dat deze bedragen ooit zijn uitbetaald aan de heer [ex echtgenoot] .(…)”
“Hoewel dus niet is uit te sluiten dat geïntimeerde de mogelijkheid heeft benut om het salaris van haar echtgenoot te verhogen en zo invloed uit te oefenen op de door het Hof genoemde maatstaf voor de begroting van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen, is de geconstateerde verhoging van de aan de heer [ex echtgenoot] toegekende salarissen vanuit bedrijfseconomisch perspectief niet onbegrijpelijk.”
De feiten in beschouwing nemend adviseer ik om geen rekening te houden met de bedragen, die in de notulen van de aandeelhoudersvergaderingen genoemd zijn. Er is onvoldoende grond gevonden om te kunnen stellen dat bedragen van deze omvang daadwerkelijk ten laste zijn gebracht van het inkomen uit aanmerkelijk belang van de aandeelhouders”.
Amlinverworpen. De AOW-leeftijd is door de rechtbank en ook door het hof van betekenis geacht voor de leeftijd waarop [geïntimeerde] in de hypothetische situatie zonder ongeval zou zijn gestopt met werken. Er is geen reden om daar anders over te denken nu de AOW-leeftijd door de wetswijziging is en wordt opgeschoven.
23.De uitspraak
19 februari 2019voor nadere akte aan zijde van beide partijen met - uitsluitend - de in r.o. 22.4.2, 22.4.3. en 22.4.4. omschreven doelen;