Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten en geschil
3.Nederlandse wet- en regelgeving
tekst toegevoegd per 1 januari 2008:stichtingen alsmede) andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen, indien en voor zover zij een onderneming drijven;
(lid 4 is toegevoegd per 1 maart 2005)Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, is afdeling 4.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.”
vanaf 26-7-2002:rechtspersoon) niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn.
vanaf 26-7-2002:vennootschap) niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de teruggaaf betrekking heeft.”
Kamerstukken II, 1967-1968, 6000, nr. 17, blz. 7, rk – 8, lk)
collectiefbeleggen. Een fonds dat niet is bestemd voor beleggen voor gemene rekening, maar voor individuele of privébelegging, is zowel wettekstueel als wetshistorisch als teleologisch niet vennootschapsbelastingplichtig. Een dergelijk fonds (voor individuele belegging) vormt onderdeel van het vermogen van degene die via een dergelijk fonds belegt. De fiscale gevolgen daarvan raken die belegger rechtstreeks.
gezamenlijkerekening van deelnemers in die fondsen (ov. 5.15),
ratio legisvan artikel 10, lid 1, van de Wet DB, bij denkbeeldige vestiging in Nederland niet onder die bepaling. Gelet op de aan (thans) lid 2 van dat artikel ten grondslag liggende gedachte, valt dat beleggingsfonds evenmin onder lid 2, indien er, overeenkomstig het onder 4.22 overwogene, vanuit wordt gegaan dat met die bepaling niet meer is beoogd dan een non-discriminatoire toepassing van de teruggaafregeling van lid 1.
Miljoen, X en Société Générale, C-10/14, C-14/14 en C-17/14, ECLI:EU:C:2015:608). De doelvermogenredenering van de A-G lijkt dat doel te doorkruisen en, zoals uit het voorgaande volgt, lijkt die redenering tot een onbedoelde uitbreiding van de materiële werkingssfeer van artikel 10 van Pro de Wet DB te leiden, ook indien ervan wordt uitgegaan dat de redenering op de letterlijke bewoordingen van artikel 10, lid 2, van de Wet DB kan worden gebaseerd.
de factonadeliger zijn voor buiten Nederland gevestigde beleggingsfondsen dan voor in Nederland gevestigde fondsen, naar analogie van de rechtspraak van het HvJ in zaken als
Van der Weegen(C-580/15, ECLI:EU:C:2017:429). Gelet op die onzekerheid en de mogelijke relevantie van de onderhavige kwestie voor de uiteindelijke beslechting van het onderhavige geschil, alsmede de vele andere verzoeken van beleggingsfondsen met één deelgerechtigde, heeft het Hof besloten ook de onderhavige vraag prejudicieel aan de Hoge Raad voor te leggen.
5.Beslissing
verzoektde Hoge Raad de volgende vragen door middel van een prejudiciële beslissing te beantwoorden:
houdtiedere verdere beslissing aan en
schorsthet geding totdat de Hoge Raad naar aanleiding van de vorenstaande vragen uitspraak heeft gedaan.