Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
Artikel 5.5
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft een geschil tussen [appellant], adjunct-directeur bij De Rooi Pannen, en zijn werkgever over zijn wedertewerkstelling na een non-actiefstelling in 2017. De kantonrechter wees eerder een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af en kende gedeeltelijk salarisvorderingen toe, maar wees de vordering tot wedertewerkstelling en rectificatie af.
In hoger beroep richtte [appellant] zich tegen de afwijzing van de wedertewerkstellings- en rectificatievordering. Het hof benadrukte dat de rechter in kort geding rekening moet houden met het vonnis in de bodemprocedure en dat een werknemer in beginsel recht heeft op het verrichten van overeengekomen arbeid, tenzij er zwaarwegende redenen zijn dit te weigeren.
Gezien de impasse tussen partijen en het feit dat het verzoek tot ontbinding in de bodemprocedure was afgewezen, besloot het hof een comparitie te gelasten om de gevolgen van de bodemuitspraak op de vordering tot wedertewerkstelling te bespreken. De rectificatievordering werd afgewezen omdat onrechtmatig handelen niet was komen vast te staan. De verdere beslissing werd aangehouden.
Uitkomst: De vordering tot rectificatie wordt afgewezen en de beslissing over wedertewerkstelling wordt aangehouden voor een comparitie.