ECLI:NL:CRVB:2013:1696
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over afwijzing WAO-uitkering wegens schending hoorplicht en overschrijding redelijke termijn
Appellant was sinds 2001 werkzaam bij een stichting en meldde zich in 2003 ziek. Hij vroeg in 2004 een WAO-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze omdat niet was aangetoond dat hij doorlopend arbeidsongeschikt was. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank het besluit wegens onvoldoende onderzoek. Het UWV voerde aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek uit, waarbij de arbeidsdeskundigen het verlies aan verdiencapaciteit op 0% stelden.
Appellant stelde zich volledig arbeidsongeschikt en verwees naar psychische klachten en fysieke beperkingen. Deskundigen concludeerden dat appellant in 2004 een depressieve episode had en stelden een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op. De Raad oordeelde dat het UWV de aangepaste FML correct had overgenomen en dat de geselecteerde functies passend waren.
De Raad stelde vast dat het UWV appellant niet had gehoord over de vertaling van het deskundigenrapport naar de FML, wat in strijd was met de hoorplicht. Daardoor werd het besluit vernietigd. Tevens oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor het nemen van besluiten en de gerechtelijke procedures was overschreden, waardoor appellant mogelijk recht heeft op schadevergoeding. De zaak wordt heropend om hierover nader te beslissen.
Uitkomst: Het besluit van het UWV van 22 maart 2013 wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn, met heropening van het onderzoek naar schadevergoeding.