ECLI:NL:CBB:2016:441
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.R. Winter
- H. Bolt
- A. Venekamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Meststoffenwet ondanks betwisting levering mest en beroep op bijzondere omstandigheden
Appellant exploiteert een agrarisch bedrijf en werd door de staatssecretaris van Economische Zaken beboet wegens overtreding van artikel 7 in Pro samenhang met artikel 8 van Pro de Meststoffenwet (Msw). De boete betrof een overschrijding van de gebruiksnormen voor stikstof en fosfaat door tien vrachten dierlijke mest die op het bedrijf zouden zijn geleverd. Appellant betwistte de levering en stelde dat de fosfaattoestand van zijn bodem dit niet ondersteunde, en voerde aan slachtoffer te zijn van een mestdump.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de tien vrachten mest op het erf van appellant waren geleverd, mede op basis van GPS-gegevens en laad- en losmeldingen. Appellant had als afnemer een zelfstandige verantwoordelijkheid en kon niet afgaan op adviezen zonder vervoersbewijzen. Matiging wegens onevenredigheid of bijzondere omstandigheden werd afgewezen.
In hoger beroep bevestigde het College deze beoordeling. Het stelde vast dat het bewijs van de staatssecretaris op concrete feiten en omstandigheden berustte en dat bodemonderzoek geen uitsluitsel geeft over aan- of afvoer van mest. Het beroep op overschrijding van de redelijke termijn leidde slechts tot een beperkte matiging van 10%, reeds toegepast door de staatssecretaris. Het College vond geen aanleiding tot verdere matiging en wees het hoger beroep af.
De uitspraak benadrukt de bewijslastverdeling in milieurechtelijke bestuursrechtelijke boetes, de zelfstandige verantwoordelijkheid van agrariërs en de beperkte ruimte voor matiging bij overschrijding van redelijke termijnen.
Uitkomst: Het College bevestigt de boete van €31.908,- wegens overtreding van de Meststoffenwet en wijst het hoger beroep af.