Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 17 juli 2018 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 4 oktober 2018;
- de memorie van grieven met een productie;
- de memorie van antwoord;
- de akte van [geïntimeerde] van 26 maart 2019 met een productie;
- de antwoordakte van 23 april 2019 van [het uitzendbureau] .
6.De beoordeling
voor [geïntimeerde]heeft uitgevoerd, dat wil zeggen dat [de uitzendkracht] door [geïntimeerde] is ingeleend bij [het uitzendbureau] , in de weken 24 tot en met 27 van 2016. [geïntimeerde] heeft dat betwist. [de uitzendkracht] heeft volgens hem alleen in de weken 22 en 23 voor hem gewerkt.
[de zzp'er]de werkbriefjes over de meergenoemde weken wel of niet heeft ondertekend. Volgens [het uitzendbureau] is het [de zzp'er] geweest die die werkbriefjes heeft ondertekend. Verklaring 1 van [de uitzendkracht] houdt in dat [de zzp'er] een deel van de werkbriefjes heeft getekend, maar verklaring 1 van [de zzp'er] houdt in dat hij nooit werkbriefjes van [het uitzendbureau] heeft ondertekend.
7.De uitspraak
9 juni 2020voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van juli tot en met december 2020;