Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de vennootschap 1] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel;
- memorie van antwoord in incidenteel appel;
- de schriftelijke pleidooien van 14 mei 2019.
3.De beoordeling
naar luid van het vonnis, aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat [de vennootschap 1] , [de vennootschap 2] dan wel [appellanten] gezamenlijk de eigendom van de gangen onder [sectieletter+sectienummer 2] hebben ten gevolge van horizontale natrekking van deze gangen met perceel [sectieletter+sectienummer 1] (toebehorend aan [de vennootschap 1] ) of perceel [sectieletter+sectienummer 3] (toebehorend aan [de vennootschap 2] ). Voor natrekking is in dezen maatgevend dat de gangen onder de percelen [sectieletter+sectienummer 1] , [sectieletter+sectienummer 2] en [sectieletter+sectienummer 3] in constructief opzicht op elkaar zijn afgestemd en op wiens perceel de hoofdingang ligt die toegang geeft tot dit gangenstelsel. Nu de gangen onder voornoemde percelen in constructief opzicht op elkaar zijn afgestemd en de hoofdingang gelegen is op het aan [de vennootschap 1] of [de vennootschap 2] toebehorende perceel, is [de vennootschap 1] respectievelijk [de vennootschap 2] eigenaar van alle onder de percelen [sectieletter+sectienummer 1] , [sectieletter+sectienummer 2] en [sectieletter+sectienummer 3] gelegen gangen (alle gangen onder deze percelen worden aangemerkt met de term ‘gangenstelsel’).
vraag wie de eigendom heeft van de gangengelegen onder perceel [sectieletter+sectienummer 2] wordt tot uitgangspunt genomen dat moet worden uitgegaan van natrekking door de eigenaar van het perceel en dat in dit geval beoordeeld moet worden of op deze hoofdregel een uitzondering bestaat.