Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg (onvolledig) en producties, ingekomen ter griffie op 9 oktober 2019;
- het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 december 2019;
- het V6-formulier van [appellant] met producties 7-18, ingekomen ter griffie op 28 januari 2020;
- het V6-formulier van [appellant] met producties A1-18, B1-3 en C1-3 als aanvulling op de processtukken van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 31 januari 2020;
- de op 6 februari 2020 gehouden mondelinge behandeling die kort na aanvang is aangehouden omdat er geen tolk aanwezig was voor [appellant] ;
- de akte houdende wijziging van het verzoek van [appellant] , ingekomen ter griffie op 11 februari 2020;
- het V6-formulier van [appellant] met aanvullende medische gegevens, ingekomen ter griffie op 6 april 2020;
3.De beoordeling
“Ivm het huidige medicatiegebruik is het concentratievermogen momenteel verminderd en dient bij het inzetten van dhr gedurende 4 uur per dag rekening gehouden te worden met beperkingen tav veiligheidsrisico’s zoals oa het besturen van voertuigen, werken op hoogte en aan draaiende machines”Ook hierna heeft [appellant] zijn werkzaamheden niet hervat, waarna [verweerster] de onderhavige procedure is begonnen.
Daarnaast heeft [appellant] verzocht [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de aan [appellant] opgelegde eigen bijdragen in het kader van de gefinancierde rechtshulp en kosten griffierecht in beide instanties.
voert aan dat hij geen werkzaamheden kon verrichten, omdat hij vanaf zijn ziekmelding op 26 november 2018 steeds volledig arbeidsongeschikt is geweest.
verrichten?
maart 2019 zijn eigen werk verrichten of was hij volledig arbeidsongeschikt?
en met 10 juni 2019 en zo ja hoe?
daarvan kennis neemt?
Het hof is voornemens de kosten van de deskundige voorshands ten laste van [verweerster] te brengen, omdat op haar de bewijslast rust van haar stelling dat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
telefonisch contact opgenomen met [verweerster] na de brieven van 6 december 2018 en 11
december 2018;
ontwijkend op en verwijst alleen naar de bedrijfsarts;
22 januari 2019;
4.De beslissing
beide partijenin de gelegenheid zich
binnen vier weken na hedenschriftelijk uit te laten over de onder r.o. 3.15 en 3.21 vermelde punten, waarna zij
vervolgens binnen vier wekenkunnen reageren op elkaars schriftelijke uitlating;