Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8516643 / CV EXPL 20-2112)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties, en
- de memorie van antwoord met producties.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant was sinds 2017 in dienst bij geïntimeerde als International Sales Manager en had zijn contract opgezegd om bij een Deens concurrent in dienst te treden. Geïntimeerde beriep zich op een concurrentiebeding dat appellant verbood soortgelijke werkzaamheden te verrichten bij concurrerende ondernemingen wereldwijd gedurende twaalf maanden na beëindiging van het dienstverband.
Appellant vorderde in kort geding de schorsing van het concurrentiebeding, stellende dat het beding te ruim was en hem onbillijk benadeelde, mede omdat hij financieel en qua ontwikkeling zou vooruitgaan bij de nieuwe werkgever. De kantonrechter wees deze vorderingen af en veroordeelde appellant tot naleving van het beding.
In hoger beroep bevestigde het hof dat appellant voldoende kennis heeft van bedrijfsgevoelige informatie en klantenrelaties van geïntimeerde, waardoor het concurrentiebeding een gerechtvaardigd belang beschermt. Hoewel appellant financieel fors vooruit zou gaan, weegt dit niet op tegen het belang van geïntimeerde. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen en de reconventionele vordering van geïntimeerde tot handhaving van het beding wordt vernietigd wegens onvoldoende spoedeisend belang.
Het hof veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep en veroordeelde geïntimeerde tot terugbetaling van de proceskosten in reconventie. Het arrest bevestigt de geldigheid van het concurrentiebeding en benadrukt de belangenafweging tussen bescherming bedrijfsgeheimen en recht op arbeidskeuze.
Uitkomst: Het concurrentiebeding wordt gehandhaafd en de vordering tot schorsing afgewezen, met proceskostenveroordeling voor appellant.