Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
www.hogeraad.nl).
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbenden, erfgenamen van een overleden erflaatster, maakten bezwaar tegen een beschikking van de inspecteur waarin een bedrag van € 2.820 aan nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek (PGA) werd vastgesteld. Zij vorderden uitbetaling of verrekening van dit restant in hun eigen aangiften inkomstenbelasting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof overweegt dat de persoonsgebonden aftrek volgens de Wet IB 2001 alleen in het jaar van de belastingplichtige kan worden toegepast en dat een uitbetaling van het restant niet mogelijk is. De vraag of erfgenamen het restant in hun eigen aangiften kunnen verrekenen valt buiten het geschil.
Verder oordeelt het hof dat de inspecteur aan zijn hoorplicht heeft voldaan, ondanks dat het antwoord op een vraag pas bij uitspraak op bezwaar werd gegeven. Ook is geen schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aangetoond, waaronder het gelijkheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel, verbod van détournement de pouvoir en het vertrouwensbeginsel.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beschikking tot vaststelling van het restant persoonsgebonden aftrek wordt bevestigd zonder recht op uitbetaling.