ECLI:NL:HR:2019:1905
Hoge Raad
- Cassatie
- G. de Groot
- J.A.C.A. Overgaauw
- M.A. Fierstra
- A.F.M.Q. Beukers-van Dooren
- P.A.G.M. Cools
- Rechtspraak.nl
Aftrek specifieke zorgkosten na overlijden erflaatster niet mogelijk op haar inkomen
De zaak betreft een geschil over de aftrek van specifieke zorgkosten in de inkomstenbelasting over het jaar 2015. De moeder van belanghebbenden is op 2 augustus 2015 overleden. In de laatste levensweken zijn zorgkosten gemaakt die na haar overlijden door de erfgenamen uit de onverdeelde boedel zijn betaald.
Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof Den Haag oordeelden dat deze kosten nog op het inkomen van de erflaatster in aftrek konden worden gebracht. De Staatssecretaris van Financiën stelde echter cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad stelt dat op grond van artikel 6.40 Wet IB 2001 het tijdstip van betaling bepalend is voor de aftrekbaarheid van specifieke zorgkosten. Omdat de kosten pas na het overlijden zijn betaald, kunnen zij niet op het inkomen van de erflaatster worden afgetrokken, maar alleen door de erfgenamen zelf, met inachtneming van hun eigen drempel.
De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraken van Hof en Rechtbank en bevestigt de uitspraak van de Inspecteur. De zaak wordt hiermee definitief beslecht in het voordeel van de Belastingdienst.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat specifieke zorgkosten die na overlijden zijn betaald niet op het inkomen van de erflaatster in aftrek kunnen worden gebracht.