Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/325342 / HA ZA 17-10)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;
- de zuivering van dat verstek;
- de memorie van grieven;
- het op de rol van 14 mei 2019 ambtshalve gegeven royement van de zaak met zaaknummer 200.245.052/01, nadat [geïntimeerde] heeft nagelaten zich opnieuw bij advocaat te stellen en de memorie van antwoord te nemen en ambtshalve akte van niet-dienen is verleend ten aanzien van de memorie van antwoord;
- het H8-formulier waarin het hof namens [appellante] is verzocht om de zaak te hervatten, welke zaak bij het hof bekend is onder nummer 200.245.052/02;
- het schriftelijk pleidooi aan de zijde van [appellante] , waarbij [appellante] pleitnotities heeft overgelegd.
3.De beoordeling
.De aanstellingsbrief van [echtgenoot van appellante] van 16 december 2010 (productie 8 bij conclusie van antwoord) houdt onder meer het volgende in:
Ter plaatse van de genoemde werkzaamheden was de dakrand niet voorzien van leuningen.
De werkzaamheden werden ook uitgevoerd in de directe nabijheid van de dakrand, waar ter plaatse geen randbeveiligingen was aangebracht.
Ter plaatse van de genoemde werkzaamheden werden geen harnasgordels gebruikt, of waren er geen andere technische voorzieningen getroffen, zoals het aanbrengen van een vangnet onder de dakconstructie, om het valgevaar te voorkomen.
“De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.”
‘het toezien op de veiligheidseisen zoals wettelijk zijn voorgeschreven evenals het naleven van de bepalingen conform het VGM Voorlichtingsprogramma’)en in aanmerking genomen de onder 3.1.6. genoemde verklaringen die werknemers [werknemer 1 van bedrijf] en [werknemer 2 van bedrijf] tegenover de Arbeidsinspectie hebben afgelegd, staat naar het oordeel van het hof als onvoldoende betwist vast, dat [echtgenoot van appellante] in zijn functie van projectleider bij [bedrijf] onder meer verantwoordelijk was voor het toezicht op een veilige uitvoering van de projecten door de werknemers van [bedrijf] .
“Wat de risico[’s] betreft zijn we op de hoogte welke risico’s er zijn. vanuit mijn ervaring. Vandaar dat dat niet iedere dag werd herhaald.”. [werknemer 2 van bedrijf] heeft op dezelfde vraag tegenover de Arbeidsinspectie verklaard:
“Door [geïntimeerde] . Dat was anderhalf jaar geleden mondeling gedaan.”
Dienaangaande stelt het hof het volgende voorop.
behorente zijn. Het verweer van [geïntimeerde] dat de premies voor de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering niet automatisch werden geïncasseerd en dat [bedrijf] diverse verzekeringen met verschillende betaalmomenten had lopen, treft evenmin doel. Het is de taak van een bestuurder om zijn bedrijfsorganisatie zodanig in te richten dat verzekeringspremies tijdig betaald worden en voorkomen wordt dat de dekking van de verzekering wordt opgeschort.
Daarbij tekent het hof aan dat door [geïntimeerde] op geen enkele wijze is uitgelegd of inzage is gegeven op welke wijze en door wie deze werkzaamheden werden verricht en welke interne controle daarop plaatsvond. Dit klemt temeer nu [geïntimeerde] de werknemers van [bedrijf] er niet van op de hoogte heeft gesteld dat de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering geen dekking bood maar hen juist in de veronderstelling heeft laten verkeren dat een eventuele schade-uitkering zeker gesteld was.