Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties en wijziging van het verzoek, met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 24 april 2020;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 28 mei 2020;
- het verweerschrift met een productie, ingekomen ter griffie op 29 mei 2020;
- een akte wijziging van het verzoek, ingekomen op 15 september 2020;
- een V6 formulier met een aanvullende productie 13 van de zijde van [de werknemer] , ingekomen ter griffie op 23 september 2020;
- mevrouw [medewerkster] namens [de werkgever] , bijgestaan door mr. A.P.E. de Brouwer.
- de ter zitting door mr. A.P.E. de Brouwer overgelegde pleitnota.
3.De beoordeling
“(…) Ervan uitgaande dat [de werknemer] zich op 1 mei 2019 jegens genoemde medewerkers van P&O zou hebben misdragen zoals geschetst in hun – niet ondertekende – verklaringen, kan zulks als verwijtbaar worden aangemerkt, doch niet zodanig dat van [de werkgever] niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. (…)”.
“Wat heb ik dan gedaan?”.Op het geschreeuw van mevrouw [medewerkster P&O 1] kwamen andere medewerkers af waaronder de heer [collega 1] . Er zijn geen andere medewerkers komen kijken omdat [de werknemer] luid zou hebben geschreeuwd. Mevrouw [medewerkster P&O 1] heeft niet deze mannelijke collega erbij gehaald om [de werknemer] zover te krijgen dat hij de kamer zou verlaten. Dat de heer [collega 1] [de werknemer] niet zover zou hebben gekregen dat hij de kamer zou verlaten is ook niet waar.
“… jou zoek ik nog wel op”dan wel woorden van gelijke strekking.
4.De beslissing
uiterlijk 10 december 2020schriftelijk opgave dient te doen aan de civiele griffie van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van januari tot en met april 2021;
met inachtneming van het bepaalde in 3.11;