Belanghebbende heeft BPM betaald voor een ingevoerde kampeerauto, maar de inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat een onjuiste koerslijst was gebruikt. De inspecteur baseerde de waardevermindering op een afschrijvingstabel voor kampeerauto’s, niet op die van een bestelauto. Belanghebbende maakte bezwaar en beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en kende beperkte immateriële schadevergoeding toe.
In hoger beroep werd de gemachtigde van belanghebbende geweigerd wegens herhaaldelijk onbetamelijk taalgebruik, na meerdere waarschuwingen. Belanghebbende stelde dat de waardevermindering onjuist was vastgesteld, dat de hoorplicht en het verdedigingsbeginsel waren geschonden, en dat het griffierecht onterecht was geheven. Het hof verwierp deze bezwaren en bevestigde dat de waardevermindering terecht op basis van de afschrijvingstabel was vastgesteld, conform eerdere arresten van de Hoge Raad.
Het hof oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden, dat het griffierecht terecht was geheven, en dat geen bijzondere omstandigheden bestonden voor vergoeding van werkelijke kosten. Ook was het opleggen van de naheffingsaanslag niet in strijd met Unierecht. Het verzoek tot wraking van raadsheren werd niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.