Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante 1] ,
[appellant 2] ,
[appellante 3],
[appellante 4] ,
[appellant 5] , geboren op [geboortedatum] 1966,
[appellante 6] ,
8.Het geding na verwijzing na het tussenarrest
9.De verdere beoordeling van het hoger beroep
“vooraanschrijving inzake illegale activiteiten [zwart gemaakt] [adres 1] te [plaats] d.d. 8 juni 2004”, waarin de volgende voorstellen worden gedaan:
naar onze mening” een juridische toetsing niet zal kunnen doorstaan. Het advies besluit als volgt:
- economische waarde van ons perceel en;
- de intrinsieke waarde in de sfeer van vrij landelijk uitzicht, privacy, de ruimtelijke beleving en de landelijke rust van onze woonsituatie, waar wij indertijd zeer bewust voor gekozen hebben.”
de enige “koninklijke” oplossing is om alsnog binnen bestemmingsplan [bedrijventerrein] mogelijkheden (lees financiële middelen) te zoeken om een eind te maken aan de situatie.” Daarna wordt als andere mogelijkheid genoemd het “
laten voortbestaan van de huidige situatie, maar niet toe te staan dat er uitbreiding plaatsvindt.” Van deze laatste mogelijkheid worden vervolgens de nadelen uiteengezet. De conclusie van de passage is dat “
de gemeente toch tenminste een morele verantwoordelijkheid voor dit dossier” heeft “
en daarmee ook een verantwoordelijkheid voor het zoeken naar een goede oplossing”.
Verder blijkt naar het oordeel van het hof uit de feiten dat het perceel van de [familie appellanten] oorspronkelijk geen onderdeel uitmaakte van het bestemmingsplan [het bestemmingsplan ] en daaraan pas later is toegevoegd. Er is weliswaar een kaart opgenomen in het besluit voorkeursmodel/ structuurplan uit 2001/2002 waar het perceel van de [familie appellanten] onderdeel lijkt uit te maken van het voorkeursmodel/structuurplan, maar op een andere kaart uit dit voorkeursmodel/structuurplan is dat weer niet het geval (rov. 9.1.3. en 9.1.4.). Bovendien betreft dit structuurplan een veel groter gebied dan bedrijventerrein [bedrijventerrein] , bevat het de ruimtelijke plannen van dit grotere gebied op hoofdlijnen en is het lokaal minder uitgewerkt. Het hof leidt uit de kaarten bij het structuurplan daarom niet af dat het perceel van de [familie appellanten] onderdeel uitmaakte van de concretere plannen voor bedrijventerrein [bedrijventerrein] . Uit de Nota van uitgangspunten uit mei 2004, die specifiek betrekking heeft op het bedrijventerrein [bedrijventerrein] , blijkt dat het perceel van de [familie appellanten] geen onderdeel uitmaakte van de plannen om dit bedrijventerrein te realiseren. Uit de brief van 13 december 2004 blijkt dat ook de [familie appellanten] zelf dit ook zo heeft begrepen.
In de Nota van Uitgangspunten “ [bedrijventerrein] ” geeft u aan reguliere bedrijvigheid te willen vestigenaangrenzend aan ons perceel aan de overzijde van de [weg 2][onderstreping hof].
.
In het licht van deze met stukken gestaafde toelichting heeft de [familie appellanten] onvoldoende gesteld dat hun woning geïsoleerd in een bedrijventerrein is overgebleven.
De principale grieven 2 t/m 12 van de [familie appellanten] tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 19 maart 2014 falen. Van de incidentele grieven van de gemeente Borne faalt grief I tegen de kwalificatie van “wegbestemmen”. De overige grieven II tot en met VI van de gemeente, zoals weergegeven in rov 4.6 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, slagen.De eindconclusie van de verdere beoordeling van het hoger beroep na de verwijzing is dat het bestreden vonnis van 19 maart 2014 op de incidentele grieven van de gemeente Borne zal worden vernietigd en dat de vorderingen van de [familie appellanten] zullen worden afgewezen.
Voor de begrijpelijkheid zal het hof alle beslissingen in deze zaak in het dictum weergeven.
In verband met de na verwijzing ontstane proceskosten overweegt het hof dat de gemeente Borne de informatie, benodigd voor de beoordeling van het beroep van de [familie appellanten] op het gelijkheidsbeginsel slechts mondjesmaat en pas later in de procedure na verwijzing volledig (rov. 9.5.2.8.) heeft verstrekt. Kosten hadden kunnen worden bespaard indien de gemeente alle relevante informatie in een eerder stadium op eigen initiatief had verstrekt. Dit is voor het hof aanleiding om voor het gedeelte van het geding in hoger beroep na de verwijzing door de Hoge Raad geen extra kosten te begroten.