Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante 1] ,
[appellant 2] ,
[appellante 3],
[appellante 4] ,
[appellant 5] , geboren op [geboortedatum] 1966,
[appellante 6] ,
4.Het geding tot aan de verwijzing door de Hoge Raad
5.Het geding na verwijzing
6.De verdere beoordeling van het hoger beroep
met de vaststelling van het bestemmingsplan ‘ [het bestemmingsplan] ’onrechtmatig heeft gehandeld en dat de overweging in rov. 4.18 over het gelijkheidsbeginsel dus alleen kan worden betrokken op het handelen van de gemeente Borne in het kader van het vaststellen van het bestemmingsplan ‘ [het bestemmingsplan] ’. Zo heeft de Hoge Raad de overwegingen van het hof Arnhem-Leeuwarden ook samengevat (in rov. 3.2.3 van zijn arrest). De uitleg door de gemeente Borne van rov. 4.18 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, die overigens de onaannemelijke consequentie zou hebben dat er eigenlijk niets meer te beslissen valt na verwijzing, wordt door het hof dus verworpen.
grote aantal procedures en gebrek aan professionaliteit” op straffe van
hof: hierna aan te duiden als de regel), omdat de rechter naar wie de zaak is verwezen, deze moet behandelen in de stand waarin de zaak zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen (art. 424 Rv Pro). Uitzonderingen op deze regel zijn echter mogelijk, zoals ook al blijkt uit de verwijzing in genoemd arrest naar HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2721, NJ 1999/683, waarin een dergelijke uitzondering aan de orde was.