De exploitant van een growshop voerde hoger beroep tegen de gemeente wegens vermeende onrechtmatige overheidsaansprakelijkheid. De gemeente had de exploitatie van de growshop zonder vergunning verboden en de vergunning pas na aanzienlijke vertraging verleend.
De rechtbank had de vordering van de exploitant afgewezen. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde dat het verbod op exploitatie zonder vergunning gebaseerd was op de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en dat de brief van de burgemeester geen onrechtmatig bevel tot sluiting inhield.
Verder oordeelde het hof dat de overschrijding van de beslistermijnen voor de vergunningverlening niet automatisch onrechtmatig is. Er waren geen bijkomende omstandigheden die de gemeente verwijtbaar maakten, mede omdat de exploitant pas ruim een jaar na het sluiten van de growshop een vergunning had aangevraagd en geen kenbaar belang had gesteld bij een spoedige beslissing.
De gemeente had bovendien de exploitant voldoende gelegenheid gegeven om een vergunning aan te vragen en bestuursrechtelijke maatregelen te voorkomen. De vordering tot schadevergoeding werd daarom afgewezen en de exploitant werd veroordeeld in de proceskosten.