Uitspraak
Stichting [stichting],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 15 maart 2022;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 mei 2022;
- een V6-formulier van [de werkgever] met producties, ingekomen ter griffie op 16 juni 2022;
- een V6-formulier van [de werknemer] met een productie, ingekomen ter griffie op 16 juni 2022;
3.De beoordeling
- voor het geval het ontbindingsverzoek van [de werkgever] zou worden toegewezen: [de werkgever] te veroordelen tot betaling aan haar van de transitievergoeding, de vergoeding van art. 7:761b lid 8 BW en een billijke vergoeding van € 376.462,40 bruto (art. 7:671b lid 9 sub c BW);
- voor het geval het ontbindingsverzoek van [de werkgever] zou worden afgewezen of [de werkgever] het ontbindingsverzoek zou intrekken: de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van art. 7:671c lid 1 BW, met veroordeling van [de werkgever] tot betaling aan haar van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 376.462,40 bruto (art. 7:671c lid 2 aanhef en sub b BW);
in beide gevallen met veroordeling van [de werkgever] in de proceskosten.
Voor het geval [de werkgever] wel tot intrekking zou overgaan, heeft de kantonrechter bepaald dat [de werknemer] haar verzoekschrift kon intrekken. Voor het geval [de werknemer] dat niet zou doen, heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [de werkgever] (op verzoek van [de werknemer] ) ontbonden met ingang van 1 februari 2022 en [de werkgever] veroordeeld tot betaling van de hiervoor genoemde transitie- en billijke vergoeding, met compensatie van de proceskosten.
- te beschikken (primair) dat [de werkgever] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, althans (subsidiair) dat indien en voor zover [de werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld de billijke vergoeding op een aanzienlijk lager bedrag te bepalen;