Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9734164 \ CV EXPL 22-1087)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 9 mei 2022 met grieven en 18 producties en vermeerdering van eis;
- de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van antwoord op de vermeerdering van eis van appellant tevens houdende memorie van incidenteel appel van 31 mei 2022 met drie producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van 16 juni 2022 met één productie;
3.De beoordeling
betrekking tot de maanden oktober 2021, november 2021, december 2021, januari 2022 en februari 2022, onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie;
€ 1.000,00 per dag;
de sleutel van de bestelauto met [kenteken 1]
- de sleutel van de bestelauto met [kenteken 2]
- toegang tot de administratie van AFB Mobility BV
- de sleutel(s) van de ruimten en brievenbus aan de [adres 1] te [plaats]
- de sleutel(s) van de ruimten aan de [adres 2] te [plaats] ,
heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, alsook zijn eis vermeerderd ten aanzien van het gevorderde bedrag van de gestelde buitengerechtelijke incassokosten en toegang tot een gemeenschappelijk gehuurde bedrijfsruimte.
Dat is het geval: het geschil betreft een arbeidszaak als bedoeld in artikel 20 van Pro de herschikte EEX-Verordening (artikel Brussel I-bis Herschikt). Ingevolge artikel 21 lid 1 onder Pro i van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.
Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijzigingen ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eisen.
Dat levert naar zijn aard een spoedeisend belang op.
Het feit dat [appellant] - aldus ASC - mogelijk ook andere inkomsten zou hebben doet hieraan niet af, temeer nu ASC geen enkel nader bedrag heeft genoemd dat [appellant] periodiek zou ontvangen uit de door ASC gestelde ondernemingen.
vakantietoeslag’ opgenomen, groot € 3.745,32, welk bedrag rekenkundig nagenoeg één op één overeenkomt met 14 maanden ad 8,33 % over het overeenkomen salaris, zoals [appellant] stelt. ASC heeft dit percentage als zodanig niet weersproken en ASC heeft deze loonstrook als zodanig evenmin weersproken.
Voorts is in het mailbericht van de advocaat van ASC van 4 mei 2022 (onderdeel productie 14 MvA c.a.) gerept van het “
niet betwiste deel van de vordering van uw client (…) namelijk het loon over oktober 2021 en de verschuldigde vakantietoeslag”.
Dit laat zich, los van de onweersproken loonstrook, door [appellant] - en ook in algemene zin - in redelijkheid niet anders begrijpen dan dat ASC erkent vakantietoeslag verschuldigd te zijn tot in ieder geval het moment waarop zij naar eigen zeggen (zie hierna) [appellant] heeft ontslagen.
ik ben klaar met je, en het stopt hier” geen duidelijke dringende reden bevat, en ook niet onverwijld aan [appellant] is medegedeeld wat precies dan wel is bedoeld (zie hierna).
nade gestelde mededeling verstuurd, en de volgens ASC ook op 17 november 2021(productie 8 CvA) nog aan [appellant] verstuurde brief, waarin helemaal niet wordt gerept van een ontslag op staande voet en juist het beeld oprijst dat [appellant] toen (in ieder geval) nog in dienst was.
De brief van [persoon A] lijkt immers uit te gaan van een nog bestaand dienstverband, mede gezien de afrondende alinea (zie hiervoor).
In ieder geval is de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW naar het voorshandse oordeel van het hof niet reeds op 1 november 2021 gestart. Of deze termijn later is gestart, zal het hof nader bezien indien dit voor de beoordeling in de onderhavige procedure relevant is.
De loonaanspraak van [appellant] zal derhalve aan de hand van artikel 7:629 e.v. BW worden beoordeeld en bedraagt aldus 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon (artikel 6:629 lid 1 BW Pro) indien voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] in de door hem aangegeven periode geen arbeid heeft verricht vanwege arbeidsongeschiktheid.
voor nu worden er een tweetal overgelegd’. ASC heeft niet betwist dat op deze wijze in Duitsland arbeidsongeschiktheid kan worden aangetoond.
en ASC zijn huurder van een gezamenlijk bedrijfspand. Ook [appellant] heeft hier zijn bedrijf gevestigd en zijn eigendommen liggen daar. ASC heeft recent echter de sloten van deze bedrijfsruimte veranderd, waardoor [appellant] niet meer in de ruimte kan en dus ook niet zijn eigendommen, die voor zijn bedrijfsvoering relevant zijn, kan verzamelen en meenemen. [appellant] vordert dan ook dat hij toegelaten wordt tot deze bedrijfsruimte om zijn eigendommen te verzamelen en mee te nemen op straffe van een dwangsom.
Dit neemt niet weg dat [appellant] bezittingen van ASC, die hij onder zich heeft, terug moet geven, bij voorkeur in minnelijk overleg (zie ook hierna).
heeft onvoldoende onderbouwd dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [appellant] vergoeding vordert moeten dan ook voorshands worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten in dit kort geding (zie hierna) een vergoeding plegen in te houden.
Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten en de wettelijke rente daarover omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten en de wettelijke rente daarover, met dien verstande dat de wettelijke rente over de nakosten die zijn verbonden aan noodzakelijke betekening van de uitspraak, is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening (zie ook HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).
Het hof zal de nakosten en de wettelijke rente daarover niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden.
4.De uitspraak
- de eerste aanleg en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] tot op de datum van het bestreden vonnis van 12 april 2022 op € 108,41 aan dagvaardingskosten, op € 244,= aan griffierecht en op € 1.126,= aan salaris advocaat;
- het hoger beroep, en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] tot op heden op € 131,18 aan dagvaardingskosten, op € 343,= aan griffierecht en op € 1.671,= aan salaris advocaat ;