Uitspraak
1.[werkgever 1] ,
2.[werkgever 2] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 13 april 2022;
- het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep met productie 11, ingekomen ter griffie op 30 mei 2022;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 10 juni 2022;
- een brief van [werkgevers] met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 22 juni 2022;
- een brief van [werknemer] met productie 12, ingekomen ter griffie op 4 juli 2022;
- een brief van [werknemer] met productie 13, ingekomen ter griffie op 7 juli 2022;
- [werknemer] , bijgestaan door mr. Schouten;
- de tijdens de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen.
3.De beoordeling
Met deze mail bevestigen wij dat de onderneming zoals gedreven door [werkgever 1] in [plaats 1] (behoudens de marketing en verkoop afdeling) met ingang van 1 januari 2022 zal overgaan naar [werkgever 2] in [plaats 2] (Duitsland).
Based on the requests from your lawyer, we will not settle on these conditions. Just to make this clear for you between de two of us – this means for you:
- You need to pay legal costs for a law suit with 5.000-8.000 EUR on your own.
- You will get a disadvantage in unemployment payment without settlement.
- Final available EUR amount will be less than in a settlement. Ruling is open since we also have (…)arguments. And you need to deduct your own legal costs.
[werkgevers] heeft daartoe drie grieven aangevoerd. Met grief 1 betoogt [werkgevers] dat een werknemer, wanneer de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:665 BW Pro wordt geacht te zijn beëindigd door toedoen van de werkgever, geen recht heeft op een vergoeding wanneer niet de voor de werkgever geldende opzegtermijn in acht is genomen. Met grief 2 betoogt [werkgevers] dat [werknemer] geen recht heeft op de transitievergoeding en volgens grief 3 had [werknemer] op grond van het in de grieven 1 en 2 gestelde in de proceskosten moeten worden veroordeeld.
- een billijke vergoeding althans schadevergoeding van € 124.000,-;
- een bedrag van primair € 19.000,- netto, subsidiair 6.000,- netto te vermeerderen met 21% btw, ter zake de door [werknemer] gemaakte kosten van rechtsbijstand primair als onderdeel van de billijke vergoeding, subsidiair op grond van schending van artikel 7:611 BW Pro, meer subsidiair als schadevergoeding;
- de volledige proceskosten van € 19.000,- netto te vermeerderen met 21% btw, althans [werkgever 1] en/of [werkgever 2] al dan niet hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten in beide instanties met nakosten;
- de wettelijke rente over voornoemde proceskosten.
28 In dit verband zij eraan herinnerd dat richtlijn 2001/23 beoogt te verzekeren dat de werknemers bij een overgang van de onderneming hun rechten behouden en op dezelfde voorwaarden als zij met de vervreemder waren overeengekomen, in dienst van de nieuwe werkgever kunnen blijven (zie met name arresten van 10 februari 1988, Tellerup, „Daddy’s Dance Hall”, 324/86, Jurispr. blz. 739, punt 9, en 9 maart 2006, Werhof, C-499/04, Jurispr. blz. I-2397, punt 25).
“De VAAN is van mening dat de werknemer in bijzondere gevallen waarin de arbeidsvoorwaarden aanmerkelijk zijn gewijzigd als gevolg door een overgang van onderneming naast de transitievergoeding een billijke vergoeding aan de werknemer moet kunnen worden toegekend, en vraagt artikel 7:665 BW Pro daarop aan te passen. Als de werknemer, wiens arbeidsvoorwaarden aanmerkelijk zijn gewijzigd als gevolg van een overgang van onderneming, de arbeidsovereenkomst om die reden wil beëindigen, meent de regering dat volstaan kan worden met het verschuldigd zijn van de transitievergoeding, nu een neerwaartse bijstelling van de arbeidsvoorwaarden – die zich ook in andere gevallen dan in de situatie van overgang van onderneming kan voordoen – naar het oordeel van de regering niet kwalificeert als ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.”(Kamerstukken I 2013/2014, 33818, C, p. 108). Dat betekent dat geen grondslag bestaat voor een billijke vergoeding en dat het hof voornoemde stellingen van [werknemer] zal beoordelen in het licht van de subsidiaire grondslag 7:611 BW.