Belanghebbende woonde in 2016 en 2017 in Hongarije en ontving pensioen en AOW-uitkering. Hij voldeed niet aan het 90%-criterium voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht en kon niet aannemelijk maken dat hij in Hongarije geen inkomstenbelasting verschuldigd was vanwege het geringe inkomen.
De inspecteur stelde de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vast, waarbij voor 2016 een misslag werd geconstateerd die echter geen financiële gevolgen had. Belanghebbende voerde onder meer aan dat de rechtbank vooringenomen was, dat het vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel waren geschonden, en eiste een dwangsom en schadevergoeding.
Het hof oordeelde dat de rechtbank niet vooringenomen was, het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was omdat geen toezegging of standpuntbepaling door de inspecteur was gedaan, en dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet was geschonden ondanks afwijkingen in de aanslag 2017 en verzoeken om inkomensverklaringen.
Verder werd vastgesteld dat belanghebbende geen recht had op aftrek van zorgkosten, geen recht op dwangsom wegens verlenging beslistermijn, en geen recht op schadevergoeding omdat geen overschrijding van de redelijke termijn had plaatsgevonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.