Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 25 juni 2021;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 september 2021;
- een brief van mr. Sterk van 23 juli 2021 met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 17 maart 2021;
- als toehoorder was in de zaal aanwezig mw. mr. [stagiaire] , stagiaire van (het kantoor van) mr. Siegers;
- de ter zitting door beide advocaten overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen.
3.De beoordeling
- Ga de komende 3 weken aan het werk
- Benut die periode om eerlijk in de spiegel te kijken en voor jezelf na te gaan wat je in de toekomst wil binnen of buiten [de werkgever] en waar je ontwikkelpunten liggen
- Ga na wat je zelf kunt doen om dat te bereiken en waar wij je kunnen helpen
- Formuleer vragen voor het gesprek van 7 oktober
- € 11.857,29 aan transitievergoeding (op grond van artikel 7:673 lid 1 aanhef Pro en onder b BW);
- € 125.000,-- aan billijke vergoeding (op grond van artikel 7:671c lid 2 aanhef en onder b BW);
- € 5.974,38 aan advocaatkosten;
- € 3.300,-- aan winstdeling;
- € 1.233,46 ter verzilvering;
‘Zojuist gesprekje met [de werknemer] , gezegd dat onze wegen gaan scheiden, hij is naar huis’en volgens [de leidinggevende] klopte die weergave (of woorden van gelijke strekking) en heeft hij in de snelheid niet de juiste woorden gebruikt. Derhalve acht het hof het niet uitgesloten, zelfs waarschijnlijk dat [de leidinggevende] tijdens het gesprek van 11 september 2020 daadwerkelijk - zoals door [de werknemer] gesteld – (ook) heeft gezegd ‘dan scheiden onze wegen’. Er is geen bewijs nodig van wat [de leidinggevende] precies heeft gezegd tijdens het gesprek, nu het hof er verder van uit zal gaan dat de boodschap bij [de werknemer] zo hard als door hem gesteld bij hem aankwam.
Dat [de werkgever] op dat moment verder wilde wachten op het oordeel van de ingeschakelde bedrijfsarts is niet onbegrijpelijk.
‘Sinds [de werknemer] heeft aangegeven verder te willen kijken dan [de werkgever] lijkt het alsof hij open bloeit, er een last van zijn schouder valt. De rem is ervan af.’Ook verwijst het hof naar de gesprekken die in maart en december 2019 hebben plaatsgevonden over – onweersproken, dit los van de exacte verslaglegging - de toekomst van [de werknemer] bij [de werkgever] en de onderlinge samenwerking.
‘damage-control’). Het voorgaande betekent niet dat [de werkgever] hem een verbetertraject heeft onthouden. Integendeel, [de werknemer] had er zelf geen vertrouwen in en wilde het ook blijkbaar niet proberen.
[de werknemer] heeft herhaalde malen aangegeven de mediator als getuige te willen horen. Zoals de Hoge Raad op 10 april 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BG9470) heeft overwogen, wordt daartoe niet overgegaan tenzij het verhoor van een mediator betrekking heeft op feiten waaraan het recht gevolgen verbindt die niet ter vrije bepaling van partijen staan.(r.o. 3.3.). [de werknemer] heeft evenwel niet aangegeven welke feiten hij met het verhoor van de mediator wil bewijzen. Deze feiten heeft hij niet gesteld. Hij heeft aangegeven dat de mediator maar moet komen vertellen hoe [de werkgever] zich heeft opgesteld. Hij heeft voorts gesteld dat [de werkgever] de mediation (bewust) heeft laten stranden maar welke feitelijke gedragingen daaraan ten grondslag liggen, heeft [de werknemer] niet gesteld. Het hof passeert om deze redenen het gedane bewijsaanbod.