Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 11 augustus 2022;
- het verweerschrift met een incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 7 oktober 2022, en daarna (wegens overschrijding van het maximaal toegestane aantal pagina’s) een versie met een kleiner lettertype op 19 oktober 2022;
- het verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen, als onderdeel van het hiervoor genoemde verweerschrift met een incidenteel hoger beroep (zaaknummer eindigend op /02);
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg dat als productie is gevoegd bij het verweerschrift met een incidenteel hoger beroep;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 2 november 2022;
- een brief van [de werkgever] met een ontbrekende pagina uit het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 1 december 2022;
- een met een V6 formulier ingediende brief van [de werknemer] met producties 58 en 59, ingekomen ter griffie op 7 december 2022;
- het verweerschrift tegen het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen, ingekomen ter griffie op 13 december 2022;
3.De beoordeling in het principaal en incidenteel hoger beroep
“ [de werknemer] vervult verschillende functies, waarvoor hij niet of moeizaam vervangbaar is.”.
“In het kader van een breder onderzoek naar de toepassing van regelingen met betrekking tot urenregistratie en reiskostendeclaraties heeft [de werkgever] onlangs aan [bedrijfsrecherche] Bedrijfsrecherche opdracht gegeven een onderzoek in te stellen.”. In dat kader heeft [de werkgever] aan [de werknemer] verzocht een geheimhoudingsverklaring te tekenen, hetgeen [de werknemer] heeft geweigerd.
“Om deze reden bestaat aanleiding om de eerder toegewezen compensatie-uren die in goed vertrouwen zijn toegekend opnieuw te beschouwen.”.
“De eigengereidheid die spreekt uit jouw woorden mag je nog eens tot je nemen. Graag nodig ik je uit om je morgen bij mij te melden, niet bij [leidinggevende] . Van [leidinggevende] heb je immers te vaak verklaard “zijn kop eraf te zullen rukken”. Je kunt je morgenvroeg bij [de werkgever] en wel bij mij persoonlijk melden om 10.30 uur, niet eerder en niet bij iemand anders. Beschouw dit als een formele aanzegging.”.[de werknemer] heeft die dag laten weten dat hij zou komen. Op 1 september 2022 heeft het gesprek plaatsgevonden. Volgens [de werkgever] is toen afgesproken dat [de werknemer] het werk niet zou hervatten in afwachting van de uitkomst van dit hoger beroep. Volgens [de werknemer] is dat niet afgesproken. Daarover is vervolgens gecorrespondeerd. Bij brief van 12 september 2022 heeft [de werkgever] laten weten dat [de werknemer] is geschorst in het belang van de dienst op grond van artikel 11.4 lid 1 onder b van de cao SGO. [de werknemer] is wel in de gelegenheid gesteld zijn werkzaamheden als vicevoorzitter van de OR voort te zetten, hetgeen [de werknemer] ook heeft gedaan.
Ik pak dit op als zijnde dat ik gefraudeerd zou hebben.). In dit verband is verder van belang dat [de werkgever] in haar brief van 11 oktober 2021 had medegedeeld dat wellicht zou worden teruggekomen op een eerdere afspraak (
“Om deze reden bestaat aanleiding om de eerder toegewezen compensatie-uren die in goed vertrouwen zijn toegekend opnieuw te beschouwen.”)en deze brief was per aangetekende post aan [de werknemer] gestuurd. [nieuwe bestuurder] heeft ter zitting verklaard dat de brief aangetekend was verstuurd aan [de werknemer] omdat “de verhoudingen waren verhard”. Daarmee heeft hij gedoeld op de verhouding met de OR, althans met [de werknemer] als vicevoorzitter van de OR. Het ging daarbij niet om [de werknemer] als werknemer, want op zijn functioneren als werknemer was tot dan niets aan te merken. Het onderwerp van het onderzoek was de door [de werknemer] opgegeven compensatie uren. [de werknemer] claimde compensatie-uren, omdat hij het OR werk niet had kunnen verrichten tijdens werktijd. [de werkgever] had voor andere OR-leden vervanging geregeld voor de tijd dat zij bezig waren met OR werk. Voor [de werknemer] kon dat niet. Dat betekende dat [de werknemer] het OR werk heeft moeten doen tijdens werktijd waardoor zijn gebruikelijke werkzaamheden bleven liggen. Hij heeft dat werk ingehaald in de avonduren en in het weekeinde en zodoende compensatie-uren opgebouwd. Het geschil over de compensatie-uren is dus terug te voeren op (de vraag of sprake is van het ontbreken van of onvoldoende zorg voor) de facilitering van het werk van [de werknemer] voor de OR.
“De eigengereidheid die spreekt uit jouw woorden mag je nog eens tot je nemen”. Het hof acht dat een onnodig escalerende opmerking.