Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg (inclusief het proces-verbaal van de mondelinge behandeling) en producties, ingekomen ter griffie op 24 augustus 2022;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroepschrift, met aanvullend verzoek en een vermindering van verzoek voor wat betreft de hoogte van de billijke vergoeding, met producties, ingekomen ter griffie op 1 december 2022;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met producties ingekomen ter griffie op 13 januari 2023;
- een V6 formulier van [de werknemer] met producties, ingekomen ter griffie op 27 januari 2023;
3.De beoordeling in het principaal en incidenteel hoger beroep
“Het management heeft zich beperkt tot gesprekken van overwegend procesmatige aard en heeft zich verre gehouden van een inhoudelijke bemoeienis met deze problematiek.”
“Naar de mening van de Klachtencommissie is er feitelijk ook een klacht tegen het management van de school. Noch het management van de school, noch de interne Klachtencommissie heeft over een lange periode een inhoudelijke reactie op haar klachten gegeven. Mevrouw [de werknemer] heeft het gevoel gekregen dat men haar klachten niet serieus neemt en dat het management van de school niet staat voor haar veiligheid. Ook in de hoorzitting is dit zeer expliciet verwoord: “Er wordt niet naar mij geluisterd. Wij willen een standpunt van de school”.”Zoals hiervoor al is vermeld was de klachtencommissie van mening dat de uitlating van [sectieleider] grensoverschrijdend was, seksueel intimiderend en een voorbeeld van pestgedrag. Dat had voor [de werkgever] aanleiding moeten zijn om zich af te vragen hoe dit heeft kunnen gebeuren en wat zij kon doen om dit in de toekomst te voorkomen én dat te communiceren met [de werknemer] . Met name dat laatste was van belang, omdat [de werknemer] inmiddels ziek was en ook de klachtencommissie heeft geadviseerd om actie te ondernemen en aandacht te hebben voor de betrokkenen (onder wie [de werknemer] ).
“Bekijk de opbouw van de sectie LO, zoals die nu is samengesteld. In de huidige samenstelling zitten risico’s in de menselijke verhoudingen en samenwerking. Bespreek dit en bezie of er maatregelen nodig zijn. Blijft de samenstelling van de sectie ongewijzigd, zorg dan voor nadrukkelijke begeleiding en regelmatige evaluatie vanuit het management en bespreek dit met de medewerkers.”De kantonrechter heeft op dit onderdeel geoordeeld dat [de werkgever] niet duidelijk en inzichtelijk heeft gemaakt wat zij hieraan heeft gedaan en dat [de werknemer] daarvan niet op de hoogte is gesteld. [de werkgever] heeft daartegen ingebracht dat [de werknemer] arbeidsongeschikt was en dat zij dus niet werd betrokken bij coaching en bovendien had aangegeven dat zij niet wilde terugkeren bij de [locatie] . Echter, wat [de werkgever] heeft gedaan aan coaching is volstrekt onduidelijk gebleven. Op vragen van het hof of het niet voor de hand lag om workshops te houden, coaches in te schakelen, de sectie uit elkaar te halen ( [de werkgever] heeft immers meerdere locaties), heeft [de werkgever] geantwoord dat de sectie bij elkaar heeft gezeten en het probleem niet herkende. Kennelijk was dat alles, want [de werkgever] heeft niet concreet aangegeven wat zij vervolgens heeft gedaan. Dat [de werknemer] geen coaching kon volgen omdat zij arbeidsongeschikt was, betekent niet dat [de werkgever] het advies van de klachtencommissie kon negeren. Wanneer [de werkgever] wel allerlei acties had ondernomen in dit opzicht, dan had dit [de werknemer] wellicht meer vertrouwen gegeven in de toekomst, hetgeen mogelijk had bijgedragen aan haar herstel. Voor [de werknemer] is de situatie aldus geweest dat er helemaal niets veranderde. Het hof kan niet anders dan concluderen dat [de werkgever] de ernst van de situatie niet heeft ingezien. Dat zij het aan de sectie zelf heeft overgelaten om te bespreken of er iets moest gebeuren, paste niet bij het advies van de klachtencommissie. Dat de sectie het probleem niet herkende, was immers nu juist het probleem. Kennelijk ziet [de werkgever] ook nu nog niet in wat het probleem is, aangezien zij op vragen van het hof hierover heeft verklaard dat zij hoor en wederhoor heeft toegepast (bedoelend dat zij met [de werknemer] heeft gesproken) maar dat [de werknemer] privileges had, hetgeen niet kon.
sub agaat het om
redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade.
sub bgaat het om
redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. [de werknemer] heeft in hoger beroep expliciet aangevoerd dat de gevorderde vergoeding geen betrekking heeft op de kosten van de deskundigenrapportage aangaande inkomens- en vermogensschade. Zij heeft zodoende niet toegelicht welke kosten zij heeft gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Het hof kan geen vergoeding toewijzen op deze grondslag.
sub cgaat het om
redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. ‘Voldoening’ ziet op hetgeen in deze procedure is gevorderd, dus de billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen/ nalaten. Om [de werkgever] te bewegen om dat buiten rechte te voldoen heeft [de werknemer] slechts één brief aan [de werkgever] gestuurd, waarop één reactie is gekomen. Dat dit een lange brief was, betekent niet dat voldoende is gedaan op dit punt. Het hof ziet dus geen reden om op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro een vergoeding toe te wijzen.
- de verklaring voor recht (5.1);
- de billijke vergoeding (5.2);
- de immateriële schadevergoeding (5.3);
- de klokuren (5.5);
- de buitengerechtelijke incassokosten (5.6);
- de proceskosten (5.7);
vernietigenvoor wat betreft:
- de transitievergoeding (5.4);
- afwijzing van de wettelijke verhoging over de klokuren (5.10).