Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,wonende te [woonplaats] ,
1.[geïntimeerde 1] ,2. [geïntimeerde 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8674904 / CV EXPL 20-3628)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties 1 tot en met 7;
- de memorie van antwoord met producties 17, 18 en 19;
- het schriftelijk pleidooi, ten behoeve waarvan beide partijen een schriftelijke toelichting hebben overgelegd.
3.De beoordeling
- a. [appellanten] waren in 2019 eigenaar van de onroerende zaken aan de [straatnaam] [huisnr 1] en [huisnr 2] te [woonplaats] , kadastraal bekend [woonplaats] , [sectienummer 1] en [sectienummer 2] . Het gaat om panden die aan elkaar grenzen, en die het hof in het navolgende kortheidshalve ook wel zal aanduiden als “de panden” of “de woningen”.
- b. [appellanten] hebben op enig moment (volgens hen via Facebook) kenbaar gemaakt dat de panden te koop stonden.
- c. [geïntimeerde 1] heeft in 2011 een bedrijfsongeval gehad en is arbeidsongeschikt verklaard. Hij heeft een IVA-uitkering en een uitkering van NV Schade. [geïntimeerde 2] werkt in deeltijd als docente.
- d. [geintimeerden] hebben op 4 juli 2019 [X B.V.] opgericht. Volgens het als productie 6 bij de memorie van grieven overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel is [geïntimeerde 2] enig aandeelhouder van deze bv en zijn [geintimeerden] elk bestuurder van deze bv. Als omschrijving van de bedrijfsactiviteiten vermeldt het uittreksel onder meer het volgende:
- e. Op 25 oktober 2019 heeft [geïntimeerde 2] bij de gemeente een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 6 appartementen in de panden aan de [straatnaam] [huisnr 1] - [huisnr 2] te [woonplaats] . Op 30 oktober 2019 heeft [geïntimeerde 2] bij de gemeente de aanvraag ingetrokken. Bij brief van 26 november 2019 heeft de gemeente aan [geïntimeerde 2] bevestigd dat zij de behandeling van de aanvraag hebben beëindigd. Bij diezelfde brief heeft de gemeente aan [geïntimeerde 2] informatie gegeven naar aanleiding van haar vraag of er door middel van extra voorzieningen/aanpassingen gebruik gemaakt kan worden van de ter plaatse aanwezige onderdoorgang als uitrit.
- f. In de periode vanaf 11 november 2019 hebben [appellant 1] en [geïntimeerde 2] via WhatsAppberichten contact met elkaar gehad. Zij hebben via WhatsApp afgesproken elkaar op donderdag 14 november 2019 te treffen. In dat kader heeft [geïntimeerde 2] op 11 november 2019 aan [appellant 1] onder meer het volgende bericht:
- h. Op 11 december 2019 hebben [appellanten] als verkopers en [geintimeerden] als kopers een koopovereenkomst ondertekend met betrekking tot de panden (met perceel en verdere aanhorigheden), voor een koopsom van € 130.000,--.
- i. In artikel 4 van Pro de overeenkomst staat dat de akte van levering gepasseerd worden in januari 2020 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen.
- j. Artikel 11 van Pro de overeenkomst bevat, kort gezegd, een boetebeding voor het geval een van de partijen de overeenkomst niet nakomt. In dat geval kan de andere partij onder bepaalde voorwaarden onder meer aanspraak maken op betaling van een contractuele boete van 10% van de koopsom.
- k. Artikel 15 van Pro de koopovereenkomst bevat, kort gezegd, een financieringsvoorbehoud. In dat artikel staat onder meer het volgende:
hij/zij geen financiering heeft verkregen van een daartoe erkende instelling ter waarde van euro 80.000,- (…) ter verkrijging van het pand gelegen aan de [straatnaam] [huisnr 1] - [huisnr 2] , [woonplaats] . (overleggen 2 afwijzen erkende instellingen)
eerder aangaf, mijn uitstel tot 31 januari voor de overdracht en de ontbindende voorwaarde voor het verkrijgen van de financiering.”
u erop wijzen dat mede gelet op de parlementaire geschiedenis en daaropvolgend de inhoud van de geldende jurisprudentie de feitelijke situatie ten tijde van de koop beslissend is. De mogelijke objectieve toekomstige bestemming doet niet terzake. En deze feitelijke situatie is aankoop van een woning door een particuliere koper voor eigen gebruik. Uiteraard kunnen cliënten dit staven met bewijs. Zodat het bepaalde in artikel 7:2 lid 4 BW Pro van toepassing is.
- € 13.000,-- ter zake contractuele boete, vermeerderd met wettelijke handelsrente althans wettelijke rente vanaf 26 mei 2020;
- € 1.095,05 ter zake buitengerechtelijke kosten;
- Het verweer van [geintimeerden] dat de koopovereenkomst nietig respectievelijk vernietigbaar is omdat met artikel 16 van Pro de koopovereenkomst in strijd is gehandeld met de voor consumentkopers wettelijke bepaling van artikel 7:2 BW Pro is een zelfstandig verweer. Het is aan [geïntimeerde 2] feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat zij hebben gehandeld als consument.
- Consumentenbescherming komt niet tot zijn recht als te hoge eisen worden gesteld aan de stelplicht van iemand die zegt als consument te hebben gekocht. [geintimeerden] hebben feiten en omstandigheden gesteld die erop wijzen dat zij de koopovereenkomst als consument hebben gesloten. [appellanten] hebben die feiten en omstandigheden onvoldoende gemotiveerd betwist (rov. 4.2.3).
- Het staat dus vast dat [geintimeerden] de koopovereenkomst als consument hebben gesloten (rov. 4.2.4).
- In artikel 16 van Pro de koopovereenkomst staat dat de koper afziet van het bedenktijdbeding. De overeenkomst is dus in strijd met artikel 7:2 lid 4 BW Pro. Dit brengt mee dat [geintimeerden] de koopovereenkomst met terugwerkende kracht konden vernietigen (rov. 4.3.1).
- [geintimeerden] hebben de koopovereenkomst vernietigd bij de brief van 8 juni 2020. Het beroep van [geintimeerden] op vernietiging van de koopovereenkomst slaagt, zodat de vorderingen van [appellanten] moeten worden afgewezen (rov. 4.3.2).
- het alsnog toewijzen van hun vorderingen;
- veroordeling van [geintimeerden] om al hetgeen [appellanten] ter uitvoering van het vonnis aan [geintimeerden] hebben betaald, aan [appellanten] terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente;
- sprake is van conversie als bedoeld in artikel 3:42 BW Pro;
- slecht sprake is van partiële nietigheid als bedoeld in artikel 3:41 BW Pro;
- het beroep van [geintimeerden] op vernietiging van de overeenkomst in strijd met de redelijkheid en billijkheid (naar het hof begrijpt: naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar) is.
- dat zij voornemens waren om in het pand te gaan wonen;
- dat zij de aankoop te dele zouden financieren met spaargeld;
- dat de door hen ingediende hypotheekaanvraag is gebaseerd op hun beider inkomens;
- dat [geïntimeerde 1] uitkeringen heeft en dat [geïntimeerde 2] inkomsten heeft uit deeltijdwerk als docente.
- Het gekochte onroerend goed betreft niet slechts één woning. Het gaat om twee naast elkaar gelegen onroerende zaken. [geintimeerden] spreken zelf in de memorie van antwoord over “de woningen” (zie onder meer punt 4, slot van punt 26 en tweede deel van punt 50) en over “de panden” (in hun brief van 1 april 2020). Ook in de als onderdeel van productie 2 bij de conclusie van antwoord overgelegde bekendmakingen over oudere vergunningaanvragen wordt gesproken over “de panden”.
- De twee woonhuizen waar het om ging, hadden in totaal vijf huisnummers, te weten [straatnaam] [huisnr 4] , [huisnr 3] , [huisnr 2] , [huisnr 5] en [huisnr 6] (punt 110 conclusie van antwoord).
- [geintimeerden] hebben zelf al op 25 oktober 2019 (vóór het sluiten van de koopovereenkomst) een omgevingsvergunning aangevraagd om in de onroerende zaken “locatie [straatnaam] [huisnr 1] - [huisnr 2] ” 6 appartementen te mogen realiseren. Dat zij deze aanvraag enkele dagen later weer hebben ingetrokken, neemt niet weg dat deze aanvraag bestemd was om informatie te vergaren over de mogelijkheden van de locatie, zoals [geintimeerden] erkennen in punt 26 van de memorie van antwoord. De stelling van [geintimeerden] dat de gemeente al na enkele dagen liet weten dat de uitvoering van hun plannen het niet mogelijk was, is op geen enkele wijze onderbouwd. Uit niets blijkt dat de aanvraag niet op een later moment, na het sluiten van de koopovereenkomst of na de levering van de onroerende zaken aan [geintimeerden] , wederom kon worden ingediend en tot vergunningverlening had kunnen leiden. [geintimeerden] hebben in elk geval erkend dat het voor hen een optie was om in de toekomst in een deel van de panden appartementen te realiseren.
- [appellanten] hebben een e-mail van hun [verkoopmakelaar] van 10 juni 2020 overgelegd, waarin onder meer staat dat het overduidelijk is dat het “een beleggingspand” is en dat [geintimeerden] aan [verkoopmakelaar] ook overduidelijk aan hem hebben aangegeven dat de aankoop van dit onroerend goed voor hen als een belegging bedoeld was.
- In het kader van het maken van een afspraak voor een bespreking over de mogelijke aankoop van het pand heeft [geïntimeerde 2] in het hiervoor in rov. 3.1.2 genoemde WhatsAppbericht van 11 november 2019 aan [appellant 1] melding gemaakt van
- De genoemde [persoon A] (hierna: [persoon A] ) heeft op 18 december 2018 de woning aan het [straatnaam] [huisnr 7] in [woonplaats] in eigendom verworven voor een koopsom van € 77.500,-- en deze woning op 13 januari 2020 in eigendom overgedragen aan een derde voor € 181.800,--.
- [persoon A] heeft aan [X B.V.] – de door [geintimeerden] opgerichte bv voor onder meer
- [geintimeerden] hebben een e-mail van 30 april 2020 overgelegd ter zake een door hen gestarte crowdfundingactie om de aankoop van de panden alsnog te kunnen financieren. Deze e-mail heeft als onderwerpaanduiding:
“tot op heden nog steeds geen officieel bericht van een bank[hof: hebben]
laten zien dat de financiering niet gehaald kan worden.”Ook in de onderhavige procedure hebben [appellanten] er bij herhaling op gewezen dat zij nooit afwijzingen van financieringsaanvragen te zien hebben gekregen. [geintimeerden] hebben dat niet betwist. Zij hebben ter zitting bij de kantonrechter erkend dat zij nooit afwijzingen van de bank aan [appellanten] hebben verstrekt. De door [geintimeerden] op 17 maart 2020 aan [appellanten] doorgezonden e-mail van hun hypotheekadviseur van 17 maart 2020 kan niet gelden als een
“afwijzing van een erkende geldverstrekkende bankinstelling”. In die e-mail wordt overigens vermeld dat de brief van de bank nog “zsm” ontvangen zal worden. Of de bank (welke bank?) de financieringsaanvraag daadwerkelijk heeft afgewezen en daarover een brief heeft verzonden, is onduidelijk. [geintimeerden] hebben een dergelijke brief van de bank, hoewel [appellanten] meermaals op het ontbreken daarvan heeft gewezen, niet aan [appellanten] verzonden en niet in het geding gebracht. Reeds in zoverre is niet voldaan aan de voorwaarden voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud. Dat brengt overeenkomstig het bepaalde in artikel 15.3 van de overeenkomst mee dat [appellanten] geen genoegen hoeven te nemen met de ingeroepen ontbinding.
“afgewezen of geannuleerd”. Dat wijst erop dat van een afwijzing nog geen sprake was toen [geintimeerden] bij de e-mail van [geïntimeerde 2] van 17 maart 2020 en bij hun brief van 1 april 2020 een beroep deden op ontbinding van de koopovereenkomst vanwege het niet kunnen verkrijgen van een financiering, terwijl onduidelijk is of de aanvraag op 17 augustus 2020 is afgewezen dan wel door [geintimeerden] was geannuleerd (omdat de woning door [appellanten] inmiddels aan een derde was overgedragen).
“Laten we afspreken dat wanneer jullie alles rond hebben we dan een datum gaan prikken.”Dit kan echter niet worden uitgelegd als instemming met uitstel voor een geheel onbepaalde tijd. Het uitstel zou klaarblijkelijk gelden voor de periode die [geintimeerden] redelijkerwijs nog nodig hadden om de financiering te regelen.
“een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van tien procent (10%) van de koopsom”hebben verbeurd. Aangezien de koopsom € 130.000,-- bedroeg, bedraagt de boete in beginsel € 13.000,--.
“indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist”volgt dat de rechter zijn bevoegdheid tot matiging van een boete terughoudend moet hanteren. Volgens vaste rechtspraak brengt die maatstaf mee dat matiging alleen aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, LJN AZ6638, NJ 2007/262 ( Intrahof / Bart Smit )). De omstandigheden van het geval zijn uiteindelijk beslissend en niets verhindert de rechter gewicht toe te kennen aan de hoedanigheid van partijen, zoals het zijn van particulier: HR 13 juli 2012, LJN BW4986, NJ 2012/459 ( Van de Zuidwind / Faase ). Ook de omstandigheden waaronder de tekortkoming tot stand kwam, zijn van belang (MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 326). Het bedingen van een boete als aansporing tot nakoming of ter fixatie van schadevergoeding is op zich geoorloofd; het enkele uiteenlopen van schade en boete is onvoldoende grond voor matiging (MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 325).
4.De uitspraak
- veroordeelt [geintimeerden] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan [appellanten] een hoofdsom van € 13.000,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 16 juli 2020;
- veroordeelt [geintimeerden] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan [appellanten] € 1.095,05 te betalen ter zake buitengerechtelijke kosten;
- veroordeelt [geintimeerden] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter, en begroot die kosten aan de zijde van [appellanten] tot op heden op € 105,03 aan dagvaardingskosten, € 499, aan griffierecht en op € 746,-- aan salaris gemachtigde;