Belanghebbende, een in Duitsland gevestigd beleggingsfonds zonder vaste inrichting in Nederland, verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over het boekjaar 2006/2007. De inspecteur wees dit verzoek af, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het gerechtshof.
Het hof ging ervan uit dat belanghebbende vergelijkbaar is met een open fonds voor gemene rekening. Volgens de Wet op de dividendbelasting 1965 moet de dividendbelasting geheven zijn van degene die gerechtigd is tot de opbrengst van aandelen. Belanghebbende moest daarom aannemelijk maken dat de dividendbelasting daadwerkelijk ten laste van haar was ingehouden.
Belanghebbende had echter geen dividendnota’s overgelegd die betrekking hadden op het betreffende jaar, ondanks herhaalde verzoeken en waarschuwingen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat en hoeveel dividendbelasting was ingehouden. Het hof oordeelde dat het verzoek om teruggaaf terecht was afgewezen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hof zag geen aanleiding om het griffierecht te vergoeden of proceskosten toe te wijzen.