Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over het tijdvak van 1 juni 2006 tot en met 31 mei 2007, stellende op grond van het Unierecht vergelijkbaar te zijn met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De inspecteur wees het verzoek af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Tijdens de regiezitting op 7 juni 2021 werd besloten het onderzoek ter zitting achterwege te laten. De rechtbank zag geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de Deka-zaak.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet heeft ingestemd met een vervangende betaling zoals vereist op grond van de Hoge Raad-beslissing van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1674). Hierdoor bestaat geen recht op teruggaaf. Ook de klacht over onduidelijkheden in het rechtsherstel werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing.
Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, is ook vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting niet aan de orde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van teruggaaf dividendbelasting wordt ongegrond verklaard.