Belanghebbende, woonachtig in Duitsland en eigenaar van onroerende zaken in Nederland, maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting (IB) over de jaren 2012 en 2013. De inspecteur legde deze aanslagen ambtshalve vast, bracht belastingrente en boetes in rekening, en verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Tevens wees de inspecteur verzoeken om ambtshalve vermindering af vanwege overschrijding van de vijfjaarstermijn.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat de aanslagen rechtsgeldig zijn opgelegd en bekendgemaakt, waarbij de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat verzending aan het juiste adres via PostNL heeft plaatsgevonden. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij de aanslag IB 2013 niet heeft ontvangen, zodat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
Verder oordeelt het hof dat de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht zijn afgewezen omdat deze buiten de wettelijke termijn zijn ingediend en belanghebbende geen verschoonbare reden voor de overschrijding heeft aangevoerd. Ook is geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.