ECLI:NL:GHSHE:2023:3703

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 november 2023
Publicatiedatum
8 november 2023
Zaaknummer
23/00052
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake proceskostenvergoeding bij WOZ-waardebepaling woning

Belanghebbende, eigenaar van een woning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waardebepaling en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en de waarde van de woning verlaagde naar €208.000. Belanghebbende vorderde vervolgens volledige vergoeding van de proceskosten voor de conclusie van repliek.

Het hof overwoog dat hoewel de heffingsambtenaar meerdere correcties aan de onderliggende gegevens heeft aangebracht en er slordigheden waren, dit niet leidde tot zodanig ernstig onzorgvuldig handelen dat afwijkt van de forfaitaire proceskostenregeling gerechtvaardigd was. De Waarderingskamer houdt toezicht op de waarderingsmethodiek en de heffingsambtenaar maakte gebruik van een computermodel en diverse bronnen.

Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot volledige proceskostenvergoeding af. Ook het griffierecht werd niet toegewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; geen volledige proceskostenvergoeding toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/00052
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 13 december 2022, nummers ROE 22/28, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven en daarbij de waarde van de woning [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) per de peildatum 1 januari 2020 vastgesteld. Ook is de aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar voor het jaar 2021 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft - na navraag door het hof - verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning.
2.2.
Ter onderbouwing van de waarde voor 2021 (peildatum 1 januari 2020) heeft de heffingsambtenaar een taxatierapport (met matrix) overgelegd, waarin de woning op € 237.000 is gewaardeerd. In het taxatierapport zijn verkochte vergelijkbare panden opgenomen.
2.3.
Belanghebbende heeft in zijn bij de rechtbank ingediende conclusie van repliek op de waardebepaling van de heffingsambtenaar gereageerd. Tevens is gevraagd om vergoeding van de integrale kosten van deze conclusie van repliek.
2.4.
De heffingsambtenaar heeft bij conclusie van dupliek een aangepaste matrix overgelegd, waarin (deels) is tegemoetgekomen aan het standpunt van belanghebbende in de conclusie van repliek. De heffingsambtenaar concludeert tot een waarde van € 208.000.
2.5.
De waarde van de woning is door de heffingsambtenaar bij beschikking vastgesteld op € 255.000 en bij uitspraak op bezwaar verminderd naar € 229.000. De rechtbank heeft de waarde van de woning verminderd naar € 208.000. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.897,50 (gebaseerd op 2,5 punt, met een waarde van € 759 per punt, voor het indienen van het beroepschrift, de conclusie van repliek en het verschijnen ter zitting).

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of voor het indienen van de conclusie van repliek bij de rechtbank een integrale proceskostenvergoeding van € 2.420 moet worden toegekend.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vergoeding van € 2.420 en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank op dit onderdeel. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende wil dat de kosten van de conclusie van repliek van € 2.420 volledig worden vergoed. Belanghebbende stelt daartoe dat de heffingsambtenaar in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens belanghebbende ligt aan het onzorgvuldige handelen een gebrekkig uitgevoerde marktanalyse ten grondslag, waarbij de heffingsambtenaar van verkeerde objectgegevens van de verkochte vergelijkbare panden is uitgegaan. Pas bij de conclusie van dupliek, zoals ingediend bij de rechtbank, zijn de objectgegevens van de woning en van drie van de vier vergelijkbare panden gecorrigeerd. Belanghebbende wijst op de waarderingsinstructie van de Waarderingskamer. In die instructie staat dat de aan de waarde ten grondslag liggende objectgegevens van goede kwaliteit moeten zijn en dat deze regelmatig door de gemeenten moeten worden onderzocht. Belanghebbende wijst er ook op dat er geen (inpandige) opname door de heffingsambtenaar heeft plaatsgevonden en dat tijdens de hoorzitting niet om nadere informatie is gevraagd. In het door de heffingsambtenaar overgelegde taxatierapport is geen aansluiting gezocht bij de beschikbare bouwtekeningen. Tot slot wijst belanghebbende op slordigheden en inconsequente vermeldingen in de stukken van de heffingsambtenaar en stelt hij dat het handelen van de heffingsambtenaar er toe heeft geleid dat hij zich bovenmatig in heeft moeten spannen om zijn gelijk te halen.
4.2.
De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat de grieven van belanghebbende zorgvuldig zijn afgewogen en voor de waardebepaling diverse bronnen zijn geraadpleegd, zoals het bestemmingsplan, inlichtingenformulieren van onderbouwende marktgegevens en lucht- en panoramafoto's. Voor de methode van systematische vergelijking maakt de heffingsambtenaar gebruik van een computermodel. De getaxeerde WOZ-waarden worden vóór bekendmaking uitgebreid gecontroleerd en verbeterd en de Waarderingskamer houdt toezicht op dit proces.. De omstandigheid dat hij in de beroepsfase na kennisname van de conclusie van repliek alsnog correcties in de objectgegevens heeft aangebracht, leidt niet tot de conclusie dat in vergaande mate onzorgvuldig is gehandeld.
4.3.
Het hof is, in navolging van de rechtbank, van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding. De hoogte van een vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, wordt bepaald met toepassing van artikel 2, lid 1, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) en het in de daarbij behorende bijlage opgenomen puntensysteem. Hierbij geldt dat de vergoeding het karakter heeft van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. In artikel 2, lid 3, Bpb is bepaald dat de rechter in bijzondere omstandigheden kan afwijken van de op grond van in artikel 2, lid 1, Bpb, op forfaitaire wijze, berekende bedragen.
4.4.
Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb is reden als het bestuursorgaan een besluit neemt of handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat dit besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. [1] Ook als het bestuursorgaan vergaand onzorgvuldig heeft gehandeld kan aanleiding bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Bpb. [2]
4.5.
Het oordeel dat geen recht bestaat op een integrale proceskostenvergoeding hoeft niet te worden gemotiveerd. [3] In de specifieke omstandigheden van dit geval ziet het hof aanleiding toch een motivering te geven aangezien dat voor belanghebbende de enige reden is geweest om hoger beroep in stellen.
4.6.
Het hof constateert dat de heffingsambtenaar in de loop van de procedure verschillende malen zijn onderliggende feitelijke gegevens heeft gecorrigeerd en dat er slordigheden en inconsequente vermeldingen in de stukken van de heffingsambtenaar staan, die op een later moment zijn verbeterd. . Het staat een partij vrij om tot nadere inzichten te komen en aanpassingen in de onderbouwende gegevens aan te brengen. Vanuit een zorgvuldig handelend bestuursorgaan mag echter worden verwacht dat zaken goed worden voorbereid en dat gedegen onderzoek plaatsvindt naar de feiten en omstandigheden.
4.7.
Dit neemt niet weg dat de geconstateerde fouten door de heffingsambtenaar zijn erkend en dat de WOZ-waarde daarop - telkens - is verlaagd. Dat de waardebepaling in deze zaak niet op geheel zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, de heffingsambtenaar diverse keren zijn waardebepaling heeft moeten bijstellen en belanghebbende extra inspanningen heeft moeten leveren en kosten heeft moeten maken, betekent echter nog niet dat de heffingsambtenaar zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat van de forfaitaire regeling in het Bpb moet worden afgeweken. De uitzondering wegens bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 2, lid 3, Bpb, wordt terughoudend toegepast [4] en is hier gelet op het voorgaande dan ook niet aan de orde.
Tussenconclusie
4.8.
De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
Ten aanzien van het griffierecht
4.9.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, M.J.C. Pieterse en F.P.G. Pötgens, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2023 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
De griffier, De voorzitter,
K.M.J. van der Vorst J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.
2.Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975 (https://new.navigator.nl/document/id71fea90120594b689d233f6c0c013fd5).
3.Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2995 en Hoge Raad 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:4 (https://new.navigator.nl/document/idddafc6922c01474caf871bd807affb21).
4.Zie de Nota van Toelichting bij het Bpb, Stb. 1993, 763.