Belanghebbende, een dochtermaatschappij binnen een fiscale eenheid vennootschapsbelasting en omzetbelasting, betwistte de aanslag vennootschapsbelasting over 2016 en de afwijzing van haar bezwaar. Kern van het geschil was of zij een vordering van € 937.388 op haar moedermaatschappij mocht afwaarderen wegens niet-inbare omzetbelasting.
De rechtbank oordeelde dat de vordering op de moedermaatschappij vóór het ontvoegingstijdstip was ontstaan en dat artikel 15aj, lid 2, Wet Vpb 1969 van toepassing is, waardoor de vordering op nihil gewaardeerd moest worden vanwege het faillissement van de moedermaatschappij. Belanghebbende stelde dat zij de OB dubbel had betaald en daardoor een regresvordering had, maar dit werd verworpen.
In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof stelde vast dat de afboekingen in de rekening-courantverhouding niet bevrijdden van de OB-verplichting en dat de vordering op de moedermaatschappij niet tot afwaardering leidde. De proceskostenvergoeding werd eveneens bevestigd met een wegingsfactor van 0,5. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.