Uitspraak
Uitspraak van 18 januari 2023
de erven [X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
€ 1.105.766
€ 5.446.432
€ 5.393.945
€ 5.400.428
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende stelde dat de vennootschappen [D B.V.] en [F B.V.] een materiële onderneming dreven met een actieve vastgoedportefeuille, waardoor toepassing van de doorschuiffaciliteit mogelijk zou zijn. De Inspecteur betwistte dit en kwalificeerde de activiteiten als normaal vermogensbeheer.
Het hof heeft uitgebreid onderzocht of de werkzaamheden van erflater meer omvatten dan normaal vermogensbeheer (arbeid-plus toets) en of het rendement hoger was dan gebruikelijk (rendement-plus toets). Uit de feiten blijkt dat de werkzaamheden vooral bestonden uit het beheer, onderhoud en verhuur van onroerende zaken, vergelijkbaar met wat gebruikelijk is bij vastgoedbeleggers.
De rechtbank en het hof concludeerden dat de aard en omvang van de werkzaamheden niet uitstijgen boven normaal vermogensbeheer. Ook het behaalde rendement, gecorrigeerd voor salariskosten, was niet hoger dan het gemiddelde rendement van vergelijkbare vastgoedportefeuilles volgens de IPD-index.
Daarom is geen sprake van een materiële onderneming en is de doorschuiffaciliteit niet van toepassing. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat geen sprake is van een materiële onderneming en de doorschuiffaciliteit niet van toepassing is.