Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,hierna aan te duiden als [appellant 1] ,
[appellant 2] ,hierna aan te duiden als [appellant 2] ,
[appellant 3] ,hierna aan te duiden als [appellant 3] ,
[appellant 4],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
1.[de B.V.] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[geïntimeerde] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/352201/HA ZA 18-763)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 5 juni 2020;
- het H7-formulier van [appellanten] van 11 juli 2020 met betrekking tot de wenselijkheid van een comparitie na aanbrengen;
- de akte uitlaten comparitie na aanbrengen van [geïntimeerden] ;
- de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis, met producties;
- de memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel;
- de mondelinge behandeling op 23 maart 2022;
- de bij H3-formulier van 10 maart 2022 door [geïntimeerden] toegezonden producties 7, 8 en 9, die bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding zijn gebracht;
- de bij H3-formulier van 11 maart 2022 door [appellanten] toegezonden producties 17 en 18, die bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding zijn gebracht.
3.De beoordeling
De procedure in eerste aanleg
De rechtbank is met [de B.V.] van oordeel dat volgens de meest recente algemeen aanvaardbare milieuhygiënische inzichten geen reden is om af te wijken van de in artikel 3 Wgv Pro genoemde norm van 14 ouE/m3 die wettelijk als acceptabel hinderniveau wordt gezien voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom in een concentratiegebied.
De rechtbank heeft het beroep van [appellanten] op artikel 8 juncto Pro artikel 14 EVRM Pro en artikel 17 juncto Pro artikel 26 IVBPR Pro verworpen omdat het hanteren van verschillende normen binnen en buiten concentratiegebieden niet leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen burgers. Het gaat immers om twee verschillende doelgroepen. Zolang binnen dezelfde doelgroep wordt uitgegaan van dezelfde norm, hetgeen het geval is, is er geen strijd met het EVRM, noch met het IVBPR, aldus de rechtbank.
Tot slot had het gelet op de betwisting van [de B.V.] op de weg van [appellanten] gelegen om voldoende gemotiveerd te stellen dat de feitelijke situatie niet aan de wettelijke norm van 14 ouE/m3 voldoet. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt.
(…)Wij verlenen gevraagde vergunningGelet op de overwegingen die zijn opgenomen in dit besluit (…) en de Weg geurhinder en veehouderij (wgv), besluiten wij:
de gevraagde omgevingsvergunning (…) voor het houden van 5.484 vleesvarkens in de bestaande gebouwen; (…)
a) Geurgevoelige objecten, niet zijnde een veehouderij:Adres geurgevoelig geurbelasting (OUE/m3) geurbelasting (OUE/m3) geurbelasting
Bij het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” met toepassing van artikel 3, derde lid, van de Wgv aan Nouws verleend. De vergunning voorziet voor de stallen (…) in een gecombineerd luchtwassysteem (…). Bij de vergunning zijn voorschriften gesteld. (…) De eerder in het ontwerp (…) opgenomen voorschriften met betrekking tot het geurbeheersplan ontbreken in het besluit. (…) Het beroep van [appellanten] is dan ook gegrond. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het (…) voorschrift alsnog aan de vergunning te verbinden. (…)”.
1. te verklaren voor recht dat om de geurhinder voor [appellanten] te beperken tot een acceptabel niveau de geurbelasting op hun woningen niet meer mag bedragen dan primair 5 ouE/m3, subsidiair het wettelijk maximum van 8 ouE/m3 voor niet-concentratiegebieden en meer subsidiair het wettelijk maximum van 14 ouE/m3 voor concentratiegebieden;
2. te verklaren voor recht dat de overschrijding van de maximaal toegestane geurbelasting niet alleen onrechtmatig is jegens de bewoner van het geurobject dat zelf overbelast is maar ook jegens de andere omwonenden;
3. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om binnen zes maanden na de betekening van dit arrest zodanige maatregelen te treffen dat primair de geurbelasting op alle geurobjecten in de buurt en subsidiair de geurbelasting op de woningen van de omwonenden blijft beneden de waarde die het hof van toepassing zal achten, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
4. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [appellant 1] en [appellant 2] van een bedrag van primair € 21.975,95 en subsidiair € 9.358,83, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 september 2020;
5. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [appellant 1] en [appellant 2] van een bedrag van primair € 150,-- en subsidiair € 60,-- per maand, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vervaldatum totdat de onrechtmatige toestand zal zijn opgeheven;
- [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten in beide instanties vermeerderd met de wettelijke rente daarover en de nakosten en [geïntimeerden] te veroordelen tot restitutie van de door [appellanten] betaalde proceskosten ad € 3.307,50, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 april 2020; en
[appellanten] hebben in hoger beroep erkend dat het juist is dat de procedure in eerste instantie is beperkt tot [de B.V.] , als zijnde de vergunninghouder en exploitant van de veehouderij. Het was de bedoeling van [appellanten] het hoger beroep ook alleen tegen [de B.V.] te richten. Het is per abuis dat [geïntimeerde] ook in de dagvaarding is opgenomen en het hoger beroep is alleen gericht tegen [de B.V.] , aldus [appellanten] .
Uit dit alles volgt dat het hoger beroep tegen [geïntimeerde] niet kan en zal worden behandeld.
Voor het veehoudersbedrijf van [de B.V.] is op 18 januari 2007 een vergunning verleend voor het houden van vleesvarkens en opfokzeugen. De vergunning ziet toe op het houden van 5.485 varkens en 6 paarden. (…) De varkens komen overeen met een stankemissie van 3055,3 MVE. Per 31 dec 2006 is de Wet stankemissie vervangen door de Wet geurhinder en veehouderij en de daarbij behorende Regeling geurhinder en veehouderij. De geuruitstoot wordt niet meer uitgedrukt in MVE, maar in Odour units per seconde. De vigerende vergunning komt overeen met 69.993,5 OU.Het bedrijf is op enkele onderdelen in afwijking met de verleende vergunning in werking. Dit heeft vooral betrekking op de technieken om geur te reduceren. Het hele bedrijf is uitgerust met luchtwassers.
heeft leeg gestaan tot eind 2017, voorafgaand aan het in gebruik nemen is de stal aangesloten op een biologische combiwasser. Om overzicht te behouden is bij de feitelijke situatie geen rekening gehouden met de leegstand. Het aantal dieren uit de vergunning van 2007 is nimmer overschreden in de feitelijke situatie zal de worst case berekening uitgevoerd worden met het vergund aantal dieren.(…)”.