Uitspraak
02-023297-21 tegen:
Feit 1: feiten en omstandigheden van de zaak
(p. 0966 en p. 0968).Met de telefoon van de verdachte zijn hier foto’s van gemaakt
(p. 0967 en p. 0969).Om 13.01 uur heeft de verdachte met haar telefoon een filmpje gemaakt van de telefoon van [slachtoffer] op het moment dat [slachtoffer] haar swipe-code invoerde om haar telefoon te ontgrendelen.
(p. 0967)en 14.52 uur
(p. 0971)). Deze oproepen zijn door [slachtoffer] niet beantwoord. Om 12.46 uur werd de verdachte gebeld door [betrokkene 1] . De verdachte heeft deze oproep geweigerd en vervolgens via Whatsapp twee berichten naar [betrokkene 1] gestuurd: “Sta in jumbo” “Pakketen”
(p. 0969).
(p. 0973).Om 17.52 uur wordt een sms verstuurd naar ‘mama’: “Mam ben even met een vriendin mee bel je later terug”.
Om 18.15 uur wordt (de telefoon van) [slachtoffer] wederom gebeld door [betrokkene 2] . Deze oproep wordt afgewezen
(p. 0974).Om 18.18 uur worden twee sms’jes verstuurd naar [betrokkene 2] : “Oma ik ben na werk met vriedin even meegereden te veel werk nog in te halen zij kwam stukken ophalen ik bel nog” en “Ik heb weer geen Wi-Fi”.
Om 18.29 uur wordt met de telefoon van [slachtoffer] een sms verstuurd naar [betrokkene 1]
(p. 0975). Na een gemiste oproep van [betrokkene 3] – een vriendin van [slachtoffer] – om 18.37 uur, wordt om 18.40 uur een sms verstuurd naar [betrokkene 3] : “ik bel u terug”. In de avond worden met de telefoon van [slachtoffer] nog meerdere sms’jes verzonden naar, en ontvangen van, [betrokkene 1]
(p. 0977).
(p. 1312).
(p. 2553 e.v.).Hij verklaarde dat hij zijn moeder bij haar winkel had moeten helpen om een zware doos in de auto te tillen. Een paar dagen later moest hij zijn moeder bij een van hun garageboxen nogmaals helpen met iets tillen. Dat was een heel groot en zwaar ding, dat gewikkeld was in oude doeken en heel erg stonk. Zijn moeder is daarna weggereden en kwam pas uren later weer terug.
(p. 3788).
rechter-commissaris een bekennende verklaring afgelegd. Deze verklaring heeft zij ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep herhaald.
(p. 2203 en 2207). Op enig moment zei de verdachte tegen getuige [getuige 1] dat zij er niet zo goed uit zag, waarop getuige [getuige 1] antwoordde dat dat klopte, omdat zij moe was maar dat de kerstvakantie in aantocht was. Toen getuige [getuige 1] opmerkte dat de verdachte er zelf ook niet zo goed uitzag, zei de verdachte dat dat klopte, en dat ze een zware tijd tegemoet ging omdat ze een tijd naar de gevangenis zou gaan. De verdachte zei dat ze waarschijnlijk – of: misschien, getuige [getuige 1] weet zich de exacte bewoording niet meer te herinneren – iemand had vermoord. Ze zou naar de gevangenis gaan, zeker zes maanden. Vervolgens hoorde getuige [getuige 1] iemand kreunen achter het gordijn, achter in de winkel van de verdachte. Het gekreun duurde best lang, zo’n tien seconden. Het gekreun was afkomstig van een vrouw en klonk als het gekreun van iemand die wakker wordt uit een verdoving, of een ongemakkelijke slaap.
(p. 2196)in ieder geval nogmaals nadrukkelijk verklaard dat zij zeker weet dat haar bezoek aan de winkel voor de kerstvakantie was en dat er toen net een lockdown was. Verder stelt het hof vast dat het dossier geen objectieve aanwijzing bevat waaruit blijkt dat de winkel gedurende de dag van 15 december 2020 daadwerkelijk gesloten was.
(p. 2928 e.v.)dat zijn moeder hem, toen hij bij haar logeerde in de kerstvakantie tussen 21 en 27 december 2020, heeft verteld dat ze misschien getuige was geweest van een moord. Zijn moeder vertelde hem dat ze in een winkel was geweest en dat ze de eigenaresse had gesproken. Ook vertelde zijn moeder hem dat ze een vreemd gekreun had gehoord, dat de eigenaresse toen achter een gordijn verdween, dat het gekreun ophield en dat de eigenaresse toen ze terugkwam van achter het gordijn vertelde dat ze een moeilijke tijd tegemoet ging en dat ze dacht dat ze iemand vermoord had.
(p. 2248), en dus kennelijk aan anderen niet volledig. Het hof vermag niet in te zien hoe dit afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de getuige. Hetzelfde geldt voor het feit dat sommige getuigen aan wie [getuige 1] op enig moment haar verhaal heeft gedaan zich een andere volgorde van de gebeurtenissen herinneren. Dat getuige [getuige 1] niet meer weet wanneer ze wat aan wie heeft verteld over een periode van bijna zes maanden en dat sommige getuigen aan wie zij haar verhaal gedaan heeft dat ook niet meer precies weten, acht het hof begrijpelijk en dit doet evenmin af aan de betrouwbaarheid van het verhaal zelf. Duidelijk is dat het verhaal de getuige langere tijd heeft beziggehouden en dat zij zich heeft afgevraagd of ze ermee naar de politie moest gaan, dat dat gevoel naarmate er meer bekend werd over de verdwijning en de dood van [slachtoffer] steeds sterker werd en dat zij dit op diverse momenten met verschillende mensen heeft besproken. Het hof merkt hierbij nog op dat de getuige het verhaal in de loop van de tijd niet groter heeft gemaakt of heeft aangedikt.
(p. 4096)en dat het lastig voorstelbaar is dat zij dit heeft gedaan in aanwezigheid van getuige [getuige 1] , die daar ook niets over heeft verklaard.
(“ik mocht eigenlijk niet naar buiten”, p. 2247).
sms-berichten heeft verstuurd naar onder meer de oma en de moeder van [slachtoffer] , en dat dit kort na het overlijden van [slachtoffer] was.
zij op 15 december 2020 te Oostburg, gemeente Sluis, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en dichtgeknepen te houden;
zij in de periode van 15 december 2020 tot en met 22 januari 2021 in de gemeente Sluis het lijk van [slachtoffer] heeft vernietigd, verborgen, weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.
Omdat de familieleden en vrienden van [slachtoffer] na 15 december 2020 geen contact meer met haar konden krijgen, is zij door haar moeder als vermist opgegeven. Een wekenlange zoektocht naar [slachtoffer] volgde. Een lange periode van onzekerheid, angst, maar ook hoop. De verdachte heeft zich in deze periode – terwijl zij wist dat [slachtoffer] niet meer in leven was – voorgedaan als een goede vriendin die zich inzette om [slachtoffer] te vinden en heeft nota bene nog met de moeder en broer van [slachtoffer] gesproken in haar winkel, terwijl daar op dat moment het lichaam van [slachtoffer] nog lag. Het moet onverteerbaar voor de moeder en broer van [slachtoffer] zijn dit achteraf te weten te zijn gekomen.
Uit de rapportages volgt echter ook dat de verdachte de indruk heeft gewekt niet het achterste van haar tong te laten zien en dat een zekere mate van manipulatie en berekening volgens de deskundigen niet uit te sluiten is.
Door de deskundigen wordt het risico op recidive ingeschat als laag tot matig, en dan met name op de langere termijn wanneer zich opnieuw een meer intieme relatie zal ontwikkelen. Het risico blijft immers aanwezig dat de verdachte weer in een symbiotische relatie terechtkomt die op de langere termijn kan escaleren. Het is dus vooral van belang – aldus de deskundigen – dat er langdurige controle en toezicht plaatsvindt. Er moet namelijk vooral zicht blijven op wat er qua gevoelens en gedachten in de verdachte omgaat. Niet alleen gericht op relaties, maar ook meer in het algemeen is het van belang dat zicht wordt gehouden op wat de verdachte stress geeft en hoe zij hiermee omgaat. Om het langdurig toezicht vorm te geven, geven de deskundigen de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in overweging.
Algemene overwegingen
- de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en de ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
- de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan;
- de aard en de hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
€ 9.738,05 aan materiële schade en een bedrag van € 67.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
niet-thuiswonende kinderen en ouders. Het hof zal het gevorderde bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade dan ook toewijzen.
post-traumatische stressklachten met flashbacks en een verhoogde arousal die samenhangt met angst en hyperalerte schrikreacties. Daarnaast is onder andere sprake van somberheid, concentratieproblemen en in- en doorslaapproblemen.
€ 9.738,05 aan materiële schade en een bedrag van € 67.500,00 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
€ 67.500,00 vanaf 9 februari 2021, telkens tot aan de dag der algehele voldoening.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
€ 50.000,00 aan shockschade billijk. Mitsdien zal het hof de gevorderde shockschade van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toewijzen en niet overgaan tot matiging van dit bedrag.
€ 68.250,00 en € 50.000,00. De verdachte is daarvoor jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk.
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) jaren;
€ 77.238,05 (zevenenzeventigduizend tweehonderdachtendertig euro en vijf cent) bestaande uit€ 9.738,05 (negenduizend zevenhonderdachtendertig euro en vijf cent) materiële schade en € 67.500,00 (zevenenzestigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 9.738,05 vanaf 31 augustus 2021 en over een bedrag van € 67.500,00 vanaf 9 februari 2021, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;
[benadeelde partij 1], ter zake van het onder de feiten 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 77.238,05 (zevenenzeventigduizend tweehonderdachtendertig euro en vijf cent) bestaande uit € 9.738,05 (negenduizend zevenhonderdachtendertig euro en vijf cent) materiële schade en € 67.500,00 (zevenenzestigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 9.738,05 vanaf 31 augustus 2021 en over een bedrag van € 67.500,00 vanaf 9 februari 2021, telkens tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 120 (honderdtwintig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
€ 68.250,00 (achtenzestigduizend tweehonderdvijftig euro) bestaande uit € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) materiële schade en € 67.500,00 (zevenenzestigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 750,00 vanaf 22 mei 2024 en over een bedrag van € 67.500,00 vanaf 9 februari 2021, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;
[benadeelde partij 2], ter zake van het onder de feiten 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 68.250,00 (achtenzestigduizend tweehonderdvijftig euro) bestaande uit € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) materiële schade en € 67.500,00 (zevenenzestigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 750,00 vanaf 22 mei 2024 en over een bedrag van € 67.500,00 vanaf 9 februari 2021, telkens tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 120 (honderdtwintig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
€ 50.000,00 (vijftigduizend euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2021 tot aan de dag der voldoening;
[benadeelde partij 3], ter zake van het onder de feiten 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 50.000,00 (vijftigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 120 (honderdtwintig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;