Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met vermeerdering van de verzoeken en met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 29 december 2023;
- een brief van [de werknemer] met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 14 september 2023, ingekomen ter griffie op 17 januari 2024;
- het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 7 maart 2024;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 19 maart 2024;
- een brief van [de werknemer] met productie 44, ingekomen ter griffie op 11 april 2024;
- een brief van [de werkgever] met productie 15, ingekomen ter griffie op 12 april 2024;
3.De beoordeling
grief 1) weliswaar aangevoerd dat dit feitenoverzicht te summier is, maar het hof oordeelt daarover dat niet alles wat door [de werknemer] is aangevoerd relevant is, of tussen partijen vast staat. Wat zij in hoger beroep heeft aangevoerd in haar toelichting op grief 1, betreft deels haar mening over hoe zij de feitelijke gang van zaken heeft ervaren. Het hof zal dat in de beoordeling van de verzoeken betrekken, maar kan niet zonder meer uitgaan van de juistheid van wat zij in die toelichting heeft aangevoerd.
and important stakeholders. She indicates that she appreciates my openness but is surprised that people seem to think that way about her. She does not recognize such feedback from earlier conversations with [betrokkene 1 / nieuwe leidinggevende] .
“You mentioned that we are going to submit this to the grading committeeas a first step”(zie 3.2.4) en
“3. Submit the New JD for evaluation with the jobgrading committee; Action [toenmalige leidinggevende] : insert date; 4. A.Submit request to ExCo; Action [toenmalige leidinggevende] : insert date”(zie 3.2.6)
.
“we cannot formalize this yet given this stage of organizational changes”(zie 3.2.8)
.Blijkbaar heeft [de werknemer] dit zo opgevat dat ‘formalisering’ slechts nog een kwestie was van bekendmaking, zo blijkt uit haar e-mail van 7 december 2022:
“2. The organizational announcement of the executive level will have to wait until the newco organization (post-merger) is in place, and the new roles will formally be announced per Tier in the new [onderneming] organization”(zie 3.2.9).
‘we cannot formalize this yet’. Dat [de werkgever] een bonus van € 15.000,- heeft betaald, wil ook niet zeggen dat [de werkgever] definitief akkoord was of dat [de werknemer] daarop mocht vertrouwen. Uit de brief van 1 december 2022 blijkt dat deze eenmalige bonus om twee redenen werd gegeven: uit een oogpunt van erkenning van het werk dat [de werknemer] tot dat moment had gedaan en ter overbrugging ‘until the establishment is clear’. In diezelfde brief staat ‘we cannot formalize yet given this stage of the organizational changes’. Hoewel begrijpelijk is dat hiermee bij [de werknemer] de indruk is gewekt dat zij op termijn executive zou worden en beloond zou worden volgens C45, kon zij daar niet zeker van zijn gelet op de voorbehouden die eerder en ook later zijn gemaakt. In dit verband is van belang dat [de werknemer] wist dat [toenmalige leidinggevende] volledig achter haar streven naar promotie stond, maar dat het niet aan [toenmalige leidinggevende] was om dat te beslissen, omdat de ‘Exco’ er uiteindelijk groen licht voor moest geven.
ex tunc’) (HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:284). Het hof is van oordeel dat op dat moment sprake was van een ernstige en duurzaam verstoorde verhouding die niet meer hersteld kon worden. Partijen stonden op dat moment lijnrecht tegenover elkaar en hadden allebei ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Op dat moment was [de werknemer] van mening dat [de werkgever] haar had ‘kaltgestellt’ en haar op oneigenlijke wijze naar buiten werkte. Tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter was [de werknemer] van mening dat [de werkgever] zich op laatdunkende wijze over haar uitliet. Zij heeft aangevoerd dat dit voor haar voelde als een aanval op haar persoon en op haar integriteit als professional. [de werknemer] vond dat [de werkgever] een persoonlijke vete jegens haar was gestart. Gelet op een en ander acht het hof het niet reëel dat [de werknemer] nu in hoger beroep heeft aangevoerd dat de verhouding niet zodanig was verstoord dat deze niet meer hersteld kon worden. Die verhouding was zeer verstoord en het is niet realistisch om ervan uit te gaan dat die op dat moment nog hersteld kon worden. Verder is het hof van oordeel dat gelet op de functie, het functieniveau en de plaats van die functie in de organisatie, alsmede de diepgaand verstoorde verhouding, herplaatsing niet meer in de rede lag.
‘We know that the role remains of crucial importance’(zie 3.2.8). Het ging er steeds om of [de werknemer] zou promoveren en een ‘executive’ zou worden (of niet), maar nooit dat de functie ‘minder relevant’ zou worden en al helemaal niet dat deze volledig zou komen te vervallen. Het ging alleen maar om het wel of niet verkrijgen van een promotie. Daarbij past niet de onverhoedse mededeling dat de functie kwam te vervallen. Het hof is van oordeel dat deze gang van zaken uitermate onzorgvuldig is geweest. Los van de vraag of het een opzetje is geweest van [de werkgever] blijft staan dat [de werknemer] verwachtte dat zij promotie zou maken. [de werknemer] moest er rekening mee houden dat de executive committee daar niet mee zou instemmen, maar gelet op de steeds geruststellende berichten van [toenmalige leidinggevende] en [betrokkene 4] , heeft zij er totaal geen rekening mee gehouden en ook niet mee hoeven houden dat haar baan op de tocht stond. Het vervallen van een arbeidsplaats als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden moet op zorgvuldige wijze geschieden. Daarvan is hier in de verste verte geen sprake geweest. Het op deze onverhoedse wijze reageren op het (zakelijke) loongeschil heeft naar het oordeel van het hof geleid tot een zodanige verstoring van de arbeidsrelatie dat de daarin resulterende ontbinding van de arbeidsovereenkomst [de werkgever] ernstig valt te verwijten.
(grief 7). Die grief heeft zij echter tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Het hof hoeft dus geen oordeel meer te geven over een verzoek op grond van artikel 843a Rv en ook niet over grief 7.
beide partijeneen nadere schriftelijke toelichting moeten geven, voorzien van relevante documentatie.
4.De beslissing
11 juli 2024 voor een nadere schriftelijke toelichting door beide partijen met daarbij gevoegd relevante documentatie;