Uitspraak
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties 1 t/m 8;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met eiswijziging;
- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep;
- de op 30 maart 2023 gehouden mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
- het H3-formulier van [geïntimeerde] van 25 april 2023 met een gezamenlijke akte;
- het H16-formulier van PSZ van 1 mei 2023, waarin wordt bevestigd dat PSZ akkoord gaat met de inhoud van de akte die op 25 april 2023 door [geïntimeerde] is ingediend.
3.De beoordeling
- 12 februari 2015 tot en met 31 december 2016 (besluit van 6 februari 2015, Staatscourant 11 februari 2015, nr. 961);
- 17 augustus 2017 tot en met 16 augustus 2019 (besluit van 14 augustus 2017, Staatscourant 16 augustus 2017, nr. 39465);
- 15 februari 2019 tot en met 31 december 2019 (besluit van 11 februari 2019, Staatscourant 14 februari 2019, nr. 8768).
Artikel 19 Inschaling Pro bij indiensttreding1. Bij indiensttreding wordt de werknemer ingeschaald in de bij zijn functie behorende loonschaal op de trede die overeenkomt met het aantal onafgebroken ervaringsjaren in dezelfde of soortgelijke functie, zowel in deze als in andere bedrijfstakken, direct voorafgaande aan de indiensttreding. Bij de vaststelling van het aantal ervaringsjaren blijven onderbrekingen van minder dan twee jaar buiten beschouwing.’
1. € 18.756,89 bruto ten titel van loon;
direct voorafgaande aan de indiensttreding’ zou er volgens de kantonrechter toe leiden dat een werknemer met bijvoorbeeld vijf jaren ervaring in dezelfde functie die na een onderbreking (van minder dan twee jaren) in dienst zou treden bij een werkgever ingedeeld dient te worden in trede 0. Echter indien dezelfde werknemer bijvoorbeeld na twee maanden zonder onderbreking direct in dienst zou treden bij een andere werkgever, dan zouden de vijf jaren ervaring wel meetellen en dient volgens de cao een hoger loon te worden betaald. Deze tegengestelde uitkomst kan volgens de kantonrechter niet de bedoeling zijn en dat volgt volgens de kantonrechter ook uit de zin ‘
Bij de vaststelling van het aantal ervaringsjaren blijven onderbrekingen van minder dan twee jaar buiten beschouwing’.Uit die zinsnede volgt volgens de kantonrechter dat onderbrekingen van minder dan twee jaren niet tot verval van ervaringsjaren leiden. Uit artikel 19 van Pro de cao komt duidelijk naar voren dat ervaringsjaren dienen te worden beloond. Hieraan de voorwaarde stellen dat sprake moet zijn van een directe indiensttreding, doet afbreuk aan hetgeen partijen die de cao hebben gesloten hebben beoogd, aldus nog steeds de kantonrechter. Het hof begrijpt dat de kantonrechter (met deze laatste zinsnede) heeft bedoeld dat de door PSZ bepleite tekstinterpretatie leidt tot een niet aannemelijk rechtsgevolg. In zoverre onderschrijft het hof deze overwegingen en maakt deze in zoverre tot de zijne. Het hof voegt daar naar aanleiding van het debat in hoger beroep nog het volgende aan toe.
bij indiensttreding’ wordt ingeschaald in de bij zijn functie behorende loonschaal op de trede die overeenkomt met het aantal onafgebroken ervaringsjaren in dezelfde of soortelijke functie. Lid 1 verduidelijkt de vaststelling van het aantal onafgebroken ervaringsjaren in dezelfde of soortgelijke functie. Het gaat om ‘
onafgebroken ervaringsjaren (…) direct voorafgaande aan de indiensttreding’ en daarbij blijven onderbrekingen van minder dan twee jaar buiten beschouwing. Uit deze tekst volgt dat het vereiste van ‘
direct voorafgaande aan de indiensttreding’ ziet op het aantal onafgebroken ervaringsjaren van een werknemer en niet op een direct aan de ervaringsjaren voorafgaande indiensttreding bij een werkgever, zoals door PSZ is betoogd. Anders zou de werknemer namelijk al zijn ervaringsjaren verliezen wanneer er slechts één dag zou liggen tussen het eindigen van de ene arbeidsovereenkomst en het aangaan van de volgende arbeidsovereenkomst. Dat is een zeer onaannemelijk rechtsgevolg van de door PSZ voorgestane uitleg.
Artikel 40 Vergoeding Pro van verblijfskosten1. Aan de werknemer worden volgens het in lid 3 van dit artikel opgenomen schema de onderweg gemaakte kosten vergoed bestaande uit maaltijden, overige consumpties en sanitaire voorzieningen. (…)3. De verblijfskostenvergoeding bedraagt (…)Bij ééndaagse ritten 1):
ééndaagse rit’ wordt verstaan één rit, waarbij het vertrek en de aankomst binnen 24 uur plaatsvindt. Een koerier (dus [geïntimeerde] ) rijdt volgens PSZ niet één rit die als ééndaags moet worden beschouwd, maar maakt steeds losse ritten van het ene naar het andere adres. PSZ kan hierin niet worden gevolgd.
ééndaagse ritten’ en dat een recht op een verblijfskostenvergoeding bestaat als de ‘
afwezigheidsduur van de standplaats’langer is dan vier uur. Ook het verweer van PSZ dat artikel 40 van Pro de cao is geschreven voor ‘de grote jongens’ in het beroepsgoederenvervoer die lange ritten maken en vaak dagenlang van huis zijn en niet is geschreven voor de koerier, wordt verworpen. Deze uitleg volgt niet uit de tekst van artikel 40 van Pro de cao en is ook niet aannemelijk. In dat geval zou iedere door PSZ bedoelde chauffeur in het beroepsgoederenvervoer die lange ritten maakt en binnen vier uur op meerdere adressen moet lossen, geen recht hebben op een verblijfskostenvergoeding.