ECLI:NL:GHSHE:2025:1619

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 juni 2025
Publicatiedatum
11 juni 2025
Zaaknummer
23/806
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017 met betrekking tot box 3-inkomen en buitenlandse onroerende goederen

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 11 juni 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank had eerder de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2017 van belanghebbende bevestigd. Belanghebbende, die samen met haar broers en zussen gerechtigd is tot onroerend goed in Marokko, betwistte de hoogte van het box-3-inkomen dat door de inspecteur was vastgesteld. De inspecteur had de waarde van het onroerend goed en de rendementsgrondslag voor box 3 vastgesteld, maar belanghebbende stelde dat er een schuld rustte op het onroerend goed die niet was meegenomen in de berekening. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de inspecteur de rendementsgrondslag te hoog had vastgesteld en dat er geen sprake was van een schending van het motiveringsbeginsel. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/806
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 april 2023, nummer BRE 21/2429, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is, samen met vier broers en zussen, elk voor 1/5e deel gerechtigd tot onroerend goed in Marokko (hierna: het onroerend goed). Het onroerend goed maakt deel uit van de nalatenschap van haar vader (hierna: de vader). Volgens belanghebbende heeft het onroerend goed een totale waarde van (omgerekend) € 225.857 (€ 65.616 + € 160.241).
2.2.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 aangifte gedaan naar, onder meer, een inkomen uit sparen en beleggen (hierna: box 3) van € 3.242. Volgens de ingediende aangifte
had het aandeel van belanghebbende in het onroerend goed een waarde van € 120.000.
2.3.
Voorafgaand aan het opleggen van de aanslag IB/PVV 2017 heeft de inspecteur aan belanghebbende informatie gevraagd. In de betreffende brief gaat de inspecteur ook in op het onroerend goed in Marokko.
2.4.
Nadat belanghebbende op dat verzoek heeft gereageerd, heeft de inspecteur de aanslag opgelegd naar een grondslag voor de berekening van het voordeel in box 3 van € 3.695 (banktegoeden) + € 45.171 (1/5e aandeel onroerend goed Marokko) – € 25.000 heffingvrij vermogen = € 23.866, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 684 en met aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor het onroerend goed in Marokko waardoor per saldo geen belasting in box 3 is verschuldigd.
2.5.
De rechtbank heeft geoordeeld dat hoewel belanghebbende geen belasting verschuldigd is over haar vermogen in box 3, zij belang heeft bij beoordeling van het geschil vanwege de gevolgen van het vastgestelde inkomen voor de huurtoeslag. De rechtbank heeft het beroep vervolgens ongegrond verklaard omdat belanghebbende naar haar oordeel niet aannemelijk heeft gemaakt dat op het box-3-vermogen een schuld in mindering moet worden gebracht.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In hoger beroep zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:
I. Is sprake van een schending van het motiveringsbeginsel?
II. Heeft de inspecteur de grondslag voor de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (hierna: de rendementsgrondslag) te hoog vastgesteld?
Belanghebbende heeft ter zitting bij het hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat zij haar stelling dat haar gegevens ten onrechte zijn opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening van de Belastingdienst intrekt.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot, naar het hof begrijpt, vermindering van het box-3-inkomen naar nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
4.0.
Het is vaste rechtspraak dat een hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard als de indiener daarvan bij de aanwending van het rechtsmiddel geen belang heeft. Dat is het geval als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, die indiener niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot de proceskosten en het griffierecht. [1] In dit geval is belanghebbende geen belasting verschuldigd over haar box-3-inkomen (zie 2.4.). Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat belanghebbende desondanks belang heeft bij de beoordeling van het geschil. [2] Het hof zal het hoger beroep daarom hierna inhoudelijk beoordelen.
Ten aanzien van het geschil
Vraag I: Is sprake van een schending van het motiveringsbeginsel?
4.1.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur de uitspraak op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens belanghebbende is het onduidelijk waarop de beslissing van de inspecteur berust. De inspecteur heeft zijn beslissing niet onderbouwd met relevante wetgeving of rechtspraak. De rechtbank vat de stelling van belanghebbende op als een beroep op het motiveringsbeginsel.
4.2.
Naar het oordeel van het hof is in dit geval geen sprake van een schending van het motiveringsbeginsel. De inspecteur verwijst in de uitspraak op bezwaar naar de motivering zoals opgenomen in zijn brief van 15 maart 2021. Rekening houdend met de inhoud van die brief is de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd. De inspecteur heeft voldoende inzicht gegeven in de argumenten waarom hij het bezwaar heeft afgewezen. Het niet noemen van wetsartikelen of jurisprudentie maakt niet dat het motiveringsbeginsel geschonden is.
Vraag II: Heeft de inspecteur de rendementsgrondslag te hoog vastgesteld?
4.3.
Het inkomen uit sparen en beleggen wordt bepaald op basis van de zogenoemde rendementsgrondslag. Artikel 5.3 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bepaalt, voor zover hier van belang:
“1. De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.
2. Bezittingen zijn:
a. onroerende zaken;
b. rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben;
(…)
3. Schulden zijn verplichtingen met waarde in het economische verkeer (…)”
4.4.
Belanghebbende stelt allereerst dat op het onroerend goed een blokkade (beslag) rust, waardoor zij geen beschikking heeft over het onroerend goed en haar vermogen dus niet wordt verhoogd. Het hof begrijpt dat belanghebbende daarmee bedoelt te stellen dat op het onroerend goed een conservatoir beslag rust(te), dat dit beslag een waardeverminderende factor is en dat de waarde van haar aandeel in het onroerend goed voor de belastingheffing daardoor nihil is. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende haar stelling dat op het onroerend goed beslag is gelegd niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt.
4.5.
Het hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt. Als op een bezitting conservatoir beslag is gelegd, wat daar ook van zij in dit geval, vormt dat geen waardeverminderende factor. Evenmin kan een conservatoir beslag op een onroerend goed in aanmerking worden genomen als een schuld die de rendementsgrondslag vermindert. [3] Het hof ziet in de stelling van belanghebbende dan ook geen aanleiding voor een vermindering van de rendementsgrondslag.
4.6.
Belanghebbende stelt verder dat op het onroerend goed een schuld rust van 1.951.380,00 Marokkaanse dirham en dat de inspecteur deze schuld ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen bij de vaststelling van haar box-3-inkomen. Ten bewijze daarvan heeft belanghebbende een in het Frans gestelde verklaring overgelegd die is gedateerd op 16 november 2018. Deze verklaring is voorzien van een apostille en bevat (vrij vertaald) de volgende tekst:
“Ondergetekende, mevrouw [naam 1] , van Marokkaanse nationaliteit, geboren op [geboortedatum] in [plaats 1] Marokko, identiteitskaart [nummer] , wonende op [adres] [plaats 2] .
Verklaart hierbij dat ik getuige ben geweest dat mijn echtgenoot, wijlen de heer [naam 2] , tussen 1998 en 2002 een bedrag van 1.951.380, 00 (een miljoen negenhonderdvijftigduizend driehonderdtachtig) dirhams aan wijlen de heer [naam 3] heeft geleend.
Door deze toezegging van erkenning zal ik de erfgenamen van de overleden heer [naam 3] vragen het hierboven genoemde geleende bedrag terug te betalen na de verkoop van hun geërfd huis in Marokko.”
Volgens belanghebbende hebben zij en haar broers en zussen het bestaan van de schuld geaccepteerd nadat hen door een advocaat in Marokko was bevestigd dat de verklaring van mevrouw [naam 1] rechtsgeldig is. Geen van hen weet hoe de schuld exact is ontstaan omdat zij geen contact hadden met de vader en ten tijde van het ontstaan van de schuld minderjarig waren. Belanghebbende meent dat de inspecteur gebonden is aan hetgeen in de apostille is verklaard op grond van het Apostilleverdrag [4] , omdat dat tot gevolg heeft dat een Marokkaans stuk, voorzien van een apostille, gelegaliseerd is en klaar voor gebruik in Nederland.
4.7.
De inspecteur betwist het bestaan van een schuld. Het door belanghebbende overgelegde stuk is naar zijn mening niet meer dan een eenzijdige verklaring van mevrouw [naam 1] . Bovendien, zo stelt de inspecteur, heeft belanghebbende in de aangifte geen melding gemaakt van een schuld (zie 2.2.).
4.8.
Het hof overweegt als volgt. Op belanghebbende, die stelt dat een schuld in aanmerking moet worden genomen, rust als meest gerede partij de bewijslast om het bestaan van die schuld aannemelijk te maken. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken blijkt dat het gaat om een totale schuld voor de vijf erfgenamen van 1.951.380 dirham uit de periode 1998 - 2002. Dat is niet een gering bedrag. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank dan ook terecht en op de juiste gronden overwogen dat verwacht mag worden dat de schuldeiser en schuldenaar daarover ten minste iets op papier hebben gezet ten bewijze van het bestaan van die schuld, de al dan niet verschuldigde rente of andere vergoeding en de aflossing. En dat als dat soort stukken er niet zijn, ten minste verwacht zou mogen worden dat er gegevens zijn over de wijze waarop de schuld zou zijn ontstaan, op welke wijze en wanneer de betalingen door [naam 2] aan de vader zijn verricht en de besteding van de betaalde bedragen door de vader. Alleen een eenzijdige verklaring van iemand die stelt schuldeiser te zijn is onvoldoende bewijs voor het bestaan van de schuld.
4.9.
Tot slot heeft belanghebbende een beroep gedaan op het Apostilleverdrag. Dat verdrag stelt stukken zoals de apostille vrij van het vereiste van legalisatie. Over de apostille is in artikel 5 van het verdrag bepaald dat (1) de apostille wordt afgegeven op verzoek van de ondertekenaar of de houder van het stuk, (2) de apostille – als deze behoorlijk ingevuld is – de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van het stuk heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de identiteit van het zegel of het stempel op het stuk bevestigt en (3) de handtekening, het zegel of het stempel op de apostille niet voor echt behoeven te worden verklaard. Anders dan belanghebbende meent kan aan dit verdrag dan ook niet worden ontleend dat de apostille als sluitend bewijs voor het bestaan van de schuld moet worden aanvaard.
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende met wat zij heeft gesteld en overgelegd niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur de rendementsgrondslag te hoog heeft vastgesteld.
Tussenconclusie
4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.12.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De raadsheer,
J.H.M. van Ooijen C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2, Hoge Raad 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844, r.o. 2.3.2 en Hoge Raad 23 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:265, r.o. 4.2.1.
2.Artikel 2, lid 1, onder o, en artikel 8, lid 1, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel 21, onder e, Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Vergelijk Hoge Raad 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG4235 en ECLI:NL:HR:2022:1707.
4.Trb. 1963, 28.