ECLI:NL:GHSHE:2025:3038

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
24/71
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aanslag gemeentelijke en waterschapsbelastingen voor mantelzorgwoning

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een belanghebbende die in een mantelzorgwoning woont, gelegen in de tuin van haar voormalige woning. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag gemeentelijke en waterschapsbelastingen die door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant is opgelegd. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroep van de belanghebbende ongegrond verklaard, waarna zij hoger beroep heeft ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Tijdens de zitting op 26 september 2025 heeft de belanghebbende haar standpunt toegelicht, waarbij zij aanvoert dat zij in feite bij haar dochter en schoonzoon woont en dat de mantelzorgwoning niet als een afzonderlijke woonruimte kan worden beschouwd. Het hof oordeelt echter dat de mantelzorgwoning voldoet aan de eisen van een zelfstandige woonruimte, met eigen voorzieningen, en dat de aanslagen terecht zijn opgelegd. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/71
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 december 2023, nummer BRE 22/4060, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag afvalstoffenheffing, rioolheffing gebruiker woning, watersysteemheffing en zuiveringsheffing 2022 opgelegd (hierna: de aanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en haar dochter [dochter] , als haar gemachtigde, en namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.6.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende woonde in het jaar 2022 in een mantelzorgwoning, gelegen in de tuin van een woning in de [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de woning).
2.2.
De mantelzorgwoning was bij een vorige eigenaar van de woning in gebruik als praktijkruimte. In de ruimte is door de vorige eigenaar een wateraansluiting en riolering aangelegd en een keukenblok geplaatst. Belanghebbende heeft, toen zij vervolgens eigenaar was van de woning, de ruimte gebruikt als schuur/garage. Nadat zij de woning aan haar dochter en schoonzoon had verkocht, is de ruimte verbouwd tot mantelzorgwoning. Van de gemeente heeft de mantelzorgwoning het tijdelijk adres [adres 2] in [woonplaats] gekregen.
2.3.
De mantelzorgwoning is zelfstandig bewoonbaar en heeft een eigen ingang, verwarming, keuken en sanitaire voorzieningen. De voorzieningen waren al aanwezig voordat de ruimte werd gebruikt als mantelzorgwoning.
2.4.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het belastingjaar 2022 in verband met haar bewoning van de mantelzorgwoning aangeslagen als eenpersoonshuishouden op het adres [adres 2] voor de volgende belastingen (hierna: de heffingen):
- aanslag afvalstoffenheffing € 255,11
- aanslag rioolheffing gebruiker woning € 201,10
- aanslag zuiveringsheffing woonruimten € 62,85
- aanslag watersysteemheffing ingezetene € 66,54.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Meer in het bijzonder gaat het om het antwoord op de vragen:
1) is met betrekking tot de aanslagen afvalstoffen- en rioolheffing sprake van gebruik van een perceel door belanghebbende?
2) is met betrekking tot de aanslagen zuiverings- en watersysteemheffing sprake van gebruik van een woonruimte door belanghebbende?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot een gegrond hoger beroep en vernietiging van de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en handhaving van de aanslag.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Volgens de heffingsambtenaar is sprake van gebruik van een perceel/woonruimte door belanghebbende. Zowel de mantelzorgwoning als de woning zijn blijkens de indeling bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding. De aanslag is opgelegd aan belanghebbende als gebruiker van de mantelzorgwoning, zij is volgens de Basisregistratie Personen ingeschreven op dat adres.
4.2.
Volgens belanghebbende is sprake van gebruik van één perceel/woonruimte, te weten de woning van haar dochter en schoonzoon. Zij woont weliswaar in de mantelzorgwoning, maar ziet daarin geen verschil met het wonen bij haar dochter en schoonzoon in de woning. Zij heeft een beroerte gehad, loopt met een rollator, is inmiddels ouder dan 86 jaar en heeft dagelijkse hulp nodig van haar dochter en schoonzoon. Zij woont bij hen in de tuin, in de voormalige schuur die onderdeel uitmaakt van hun perceel. Zij heeft geen ruimte voor een wasmachine en droger. Zij is zodanig beperkt dat zij haar eigen was niet kan doen, dat doen haar dochter en schoonzoon voor haar. Zij heeft weliswaar een keukenblok, maar meestal krijgt zij eten of zij eet bij haar dochter en schoonzoon. Zij maakt gebruik van de afvalbakken die horen bij de woning, en die worden aan de straat gezet door haar dochter en schoonzoon omdat zij daartoe niet in staat is. Er zijn geen afvalbakken bijgekomen nadat zij in de mantelzorgwoning is gaan wonen. De mantelzorgwoning wordt niet omheind en is niet afgescheiden van de woning. Er is een gezamenlijke tuin, oprit, toegang en brievenbus. De woning is gelegen in een gebied met een beschermd stads- of dorpsgezicht, waardoor een omgevingsvergunning nodig was voor de mantelzorgwoning. De gemeente Moerdijk heeft belanghebbende ook verplicht om een huisnummer aan te vragen, mede om ervoor te zorgen dat de gemeente en hulpdiensten weten waar zij woont, maar voor haar hoefde dat niet. Zij is op hetzelfde perceel en in dezelfde woning blijven wonen, de hulpdiensten komen via dezelfde toegang als de woning en zij draagt een alarmknop bij zich die in verbinding staat met een alarmcentrale die in eerste instantie haar dochter belt. Samenvattend voert zij met haar dochter en schoonzoon een gezamenlijke huishouding, aldus belanghebbende.
4.3.
Het hof volgt belanghebbende hierin niet. Het hof licht dat hierna toe, waarbij de vier heffingen afzonderlijk in dezelfde volgorde als hiervoor worden besproken (zie onder 2.4).
Afvalstoffenheffing
4.4.
Ten aanzien van de afvalstoffenheffing is in artikel 15.33, lid 1, Wet milieubeheer bepaald:
1. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. (…)
4.5.
In de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en
reinigingsrechten 2022 van de gemeente Moerdijk (hierna: Verordening afvalstoffenheffing) is bepaald:
Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit
1. Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. (…)
Artikel 4 Belastingplicht
De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
4.6.
In deze artikelen is geen definitie gegeven van wat onder een perceel moet worden verstaan. Uit een uitspraak van de Hoge Raad van 10 juli 2015 kan worden afgeleid dat hiermee wordt bedoeld een woonruimte waarin een belanghebbende naar het spraakgebruik een particuliere huishouding voert en de woonruimte blijkens inrichting en indeling is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen ontstaan. [1] Het hof is met inachtneming hiervan van oordeel dat in het geval van belanghebbende sprake is van gebruik van een perceel.
4.7.
De mantelzorgwoning heeft een eigen ingang, verwarming, keuken en sanitaire voorzieningen. De mantelzorgwoning is dan ook op grond van de inrichting en indeling bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen ontstaan. Belanghebbende woont in de mantelzorgwoning. Volgens haar is sprake van een gezamenlijke huishouding in de woning van haar dochter en schoonzoon die eten voor haar koken, de was voor haar doen en haar direct hulp en zorg kunnen bieden, maar dat neemt niet weg dat belanghebbende in de mantelzorgwoning voor het overige zelf een particuliere huishouding voert waar geregeld afvalstoffen ontstaan.
4.8.
Dat de mantelzorgwoning in het kader van de Wet WOZ als gastenverblijf bij de woning is aangemerkt baat belanghebbende niet. De belastingplicht volgt in dit geval niet uit de Wet WOZ maar uit andere, aan de aanslag ten grondslag liggende wet- en regelgeving. Dat de mantelzorgwoning wat belanghebbende betreft geen tijdelijk eigen adres had hoeven krijgen maakt dit alles niet anders. Dat sprake is van één gezamenlijke aansluiting voor gas, water en elektriciteit, de meters zijn geplaatst in de woning en de dochter en schoonzoon voor de geleverde nutsvoorzieningen betalen, baat belanghebbende evenmin. Dit geldt ook voor het feit dat de mantelzorgwoning niet langer mag worden gebruikt als woning als de mantelzorg ophoudt, bijvoorbeeld als de dochter en schoonzoon verhuizen. Ook onder deze feiten en omstandigheden kan belanghebbende worden onderworpen aan de betreffende heffing.
4.9.
Voor de gemeente Moerdijk gold met betrekking tot de mantelzorgwoning een verplichting tot het inzamelen van de huishoudelijke afvalstoffen. De gemeente Moerdijk heeft aan deze inzamelplicht voldaan. De heffingsambtenaar mocht belanghebbende dan ook in de afvalstoffenheffing betrekken. Belanghebbende maakt weliswaar geen gebruik van eigen afvalbakken maar van de afvalbakken van haar dochter en schoonzoon die door hen aan de straat worden gezet, maar dat doet niet af aan haar belastingplicht.
Rioolheffing
4.10.
Ten aanzien van de rioolheffing is in artikel 228a Gemeentewet bepaald:
1. Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
4.11.
In de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2022 van de gemeente Moerdijk (hierna: Verordening rioolheffing) is bepaald:
Artikel 1 Definities
Deze verordening verstaat onder: (…)
• perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; (…)
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht
De belasting als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.
Met betrekking tot de rioolheffing wordt:
a. als gebruiker aangemerkt degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; (…)
4.12.
Op grond van de Verordening rioolheffing wordt onder perceel verstaan een onroerende zaak. De rioolheffing wordt geheven van degene die naar de omstandigheden beoordeeld als gebruiker van een perceel wordt aangemerkt.
4.13.
Het hof is van oordeel dat de mantelzorgwoning als onroerende zaak onder de definitie van perceel in de Verordening rioolheffing valt en dat belanghebbende als gebruiker van het perceel moet worden aangemerkt. Het hof verwijst in dit verband kortheidshalve naar de overwegingen onder 4.7 en 4.8, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
4.14.
De gemeente Moerdijk maakt kosten voor de inzameling, het transport en zuivering van huishoudelijk afvalwater, de inzameling en verwerking van hemelwater en treft maatregelen met betrekking tot de grondwaterstand. Belanghebbende voert vanuit de mantelzorgwoning water af op de gemeentelijke riolering. Dat de waterleiding uit de woning komt, baat belanghebbende niet. Vanuit de mantelzorgwoning wordt water afgevoerd op de gemeentelijke riolering. De rioolheffing is ook verschuldigd als het afvalwater via de riolering van de woning wordt afgevoerd. In de Verordening rioolheffing is immers bepaald dat een belasting wordt geheven ter zake van zowel direct als indirect afvoeren van water.
Zuiveringsheffing
4.15.
In artikel 122d, lid 1 en lid 2, letter a, Waterschapswet is bepaald:
1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren.
2. Aan de heffing worden onderworpen:
a. ter zake van afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte; (…).
4.16.
In de Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2022 van het waterschap Brabantse Delta (hierna: Verordening zuiveringsheffing) is bepaald:
Artikel 1 Definities
Deze verordening verstaat onder: (…)
c. afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringtechnisch werk;
d. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven; (…)
Artikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht
(…) 2. Aan de heffing worden onderworpen:
a. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte; (…).
4.17.
Op grond van de Verordening zuiveringsheffing wordt onder woonruimte verstaan een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. De zuiveringsheffing wordt geheven van degene die het gebruik heeft van die ruimte.
4.18.
Het hof is van oordeel dat de mantelzorgwoning onder de definitie van woonruimte in de zin van de Verordening zuiveringsheffing valt en dat belanghebbende moet worden aangemerkt als degene die het gebruik heeft van die ruimte. Het hof verwijst in dit verband kortheidshalve naar de overwegingen onder 4.7 en 4.8, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
4.19.
Belanghebbende heeft het gebruik van de mantelzorgwoning, zodat zij ter zake het afvoeren vanuit die woonruimte aan de zuiveringsheffing kan worden onderworpen.
Watersysteemheffing
4.20.
In artikel 117, lid 1, letter a en d, Waterschapswet is bepaald:
1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan het beheer van watersystemen wordt onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van hen die:
a. ingezetenen zijn; (…)
d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken.
4.21.
In de Verordening watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta 2022 van het waterschap Brabantse Delta (hierna: Verordening watersysteemheffing) is bepaald:
Artikel 1 Definities
Deze verordening verstaat onder:
a. ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte (…)
d. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven; (…)
Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen
(…)
2. De watersysteemheffing wordt geheven van hen die:
a. ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, met dien verstande dat gebruik van
woonruimte door de leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik
door een door de heffingsambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden; (…)
d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende
zaken in het gebied van het waterschap; (…).
4.22.
Het hof is van oordeel dat de mantelzorgwoning valt onder de definitie van woonruimte in de zin van de Verordening watersysteemheffing en dat belanghebbende moet worden aangemerkt als ingezetene van wie de watersysteemheffing kan worden geheven. Het hof verwijst ook in dit verband kortheidshalve naar de overwegingen onder 4.7 en 4.8, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
4.23.
Het hof overweegt in aanvulling hierop dat belanghebbende blijkens de Basisregistratie Personen in 2022 stond ingeschreven op het adres van de mantelzorgwoning ( [adres 2] in [woonplaats] ). Zij had het genot van de mantelzorgwoning, een gebouwde onroerende zaak, in het gebied van het waterschap.
4.24.
Belanghebbende kan dan ook aan de watersysteemheffing worden onderworpen.
Gelijkheidsbeginsel en hoogte van de aanslag
4.25.
Belanghebbende heeft een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan en in dat verband aangevoerd dat de heffingsambtenaar tijdens de zitting bij de rechtbank niet wist of er vergelijkbare gevallen zijn in de gemeente Moerdijk en, als die er zijn, of die ook aparte aanslagen krijgen. De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting bij het hof toegelicht dat binnen de gemeente Moerdijk twaalf mantelzorgwoningen zijn, die aanslagen voor dezelfde heffingen krijgen. Zodra bekend is dat het om een afzonderlijke mantelzorgwoning gaat worden alle gevallen hetzelfde behandeld, aldus de heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft dit niet weersproken, zodat het hof uitgaat van de juistheid daarvan. Hieruit volgt dat het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
4.26.
Belanghebbende heeft de hoogte van de aanslag niet betwist. Dit betekent dat de aanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Tussenconclusie
4.27.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.28.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1773.