Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:3631

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/477 en 24/478
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 AWRArt. 67d AWRParagrafen 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten BelastingdienstBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en boetebeschikking wegens hennepkwekerij

Belanghebbende werd in 2019 aangehouden in verband met een hennepkwekerij en de inspecteur legde daarop aanslagen IB/PVV en Zvw 2019 op, inclusief belastingrente en een vergrijpboete. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof oordeelt anders.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de aanslag willekeurig is vastgesteld en of de belastingrente en boete terecht zijn opgelegd. Het hof stelt vast dat de inspecteur geen redelijke schatting heeft gemaakt door ook inkomsten toe te rekenen na de aanhouding en hechtenis van belanghebbende. Daarom wordt het belastbaar inkomen verlaagd naar €239.641.

De boete wegens opzettelijk onjuiste aangifte wordt gehandhaafd omdat het hof concludeert dat belanghebbende (voorwaardelijk) opzet had. De belastingrente wordt dienovereenkomstig verminderd. Tevens wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: Het hof vermindert de aanslag IB/PVV 2019 naar een belastbaar inkomen van €239.641, vermindert de belastingrente, en handhaaft de boete wegens (voorwaardelijk) opzet.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/477 en 24/478
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (hierna: belanghebbende),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 februari 2024, zaaknummers BRE 22/4947 en 22/4948, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2019 ook een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van deze aanslag is belastingrente in rekening gebracht.
1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor vermelde aanslagen. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2019 gegrond verklaard en het bezwaar tegen de aanslag Zvw 2019 ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is op 6 juni 2019 aangehouden vanwege bedreiging met een vuurwapen van een persoon op 3 juni 2019. Vervolgens is zijn woning doorzocht, een strafrechtelijk onderzoek gestart en zijn gedurende dat onderzoek drie hennepkwekerijen aangetroffen.
2.2.
De inspecteur heeft op 5 maart 2020 aan de officier van justitie op grond van artikel 55 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) om gegevens van belanghebbende uit het strafrechtelijke onderzoek verzocht en een belastingcontrole ingesteld naar de aanvaardbaarheid van belanghebbendes aangifte(n) IB/PVV over onder meer het jaar 2019.
2.3.
De rechtbank heeft in de strafzaak op 26 februari 2020 – voor zover hier relevant - als volgt overwogen:
“Onder 5 en 6 is -kort gezegd- ten laste gelegd dat verdachte in de periode van 11 juli 2019 tot en met 31 juli 2019 in panden in [plaats] en/of [woonplaats] tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen hennep heeft geteeld en uit die woningen elektriciteit heeft weggenomen. Alhoewel het dossier aanwijzingen bevat dat verdachte betrokken was bij de hennepkwekerijen in [plaats] en [woonplaats] , zal de rechtbank verdachte van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten vrij spreken. Verdachte is immers al op 6 juni 2019 aangehouden en zit sindsdien in voorlopige hechtenis. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat verdachte in de bij beide feiten ten laste gelegde periode van 11 juli 2019 tot en met 31 juli 2019 nog betrokken was bij of bemoeienis heeft gehad met die hennepkwekerijen.”
2.4.
De rechtbank heeft in de ontnemingsprocedure op eveneens 26 februari 2020 geoordeeld dat ondanks dat belanghebbende in de hoofdzaak niet strafrechtelijk is veroordeeld ter zake van het telen van hennep, hij toch voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door die persoon zijn begaan. Het totaal te ontnemen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt naar het oordeel van de rechtbank € 327.965,65. De rechtbank heeft dat voordeel gebaseerd op rapporten om het wederrechtelijk voordeel te bepalen, waarbij in die rapporten rekening is gehouden met opbrengsten uit een periode tot en met 31 juli 2019. De rechtbank heeft in het ontnemingsvonnis tevens vastgesteld dat de berekende opbrengst niet met anderen hoeft te worden gedeeld, omdat daar onvoldoende aanknopingspunten voor zijn.
2.5.
Het hoger beroep tegen het strafrechtelijke oordeel (2.3) is ingetrokken. Tegen het ontnemingsvonnis is hoger beroep ingesteld (zie hierna bij 2.10).
2.6.
Belanghebbende is met dagtekening 31 augustus 2020 uitgenodigd tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw 2019. Belanghebbende heeft een inkomen uit werk en woning van € 4.683 aangegeven.
2.7.
Met dagtekening 23 oktober 2020 heeft de inspecteur een voorlopige aanslag IB/PVV 2019 conform de aangifte IB/PVV 2019 opgelegd.
2.8.
Bij het opleggen van de onderhavige aanslagen heeft de inspecteur op basis van het rapport van 28 april 2021 (het controlerapport) € 334.854 aan resultaat uit overige werkzaamheden bijgeteld, resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 339.537 en een bijdrage-inkomen van € 51.244.
2.9.
In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur wegens de in 2.3 vermelde strafrechtelijke vrijspraak fiscaal alsnog rekening gehouden met bij de hennepteelt gemaakte kosten en de redelijke schatting gestoeld op de rapporten wederrechtelijk verkregen voordeel en daarmee ook op het oordeel van de rechtbank in de ontnemingsprocedure (zie 2.4). Het inkomen verdiend met de hennepteelt is nader vastgesteld op € 327.965.
2.10.
De strafkamer van het hof heeft op 14 september 2023 uitspraak gedaan in de ontnemingsprocedure. Daarbij is het door belanghebbende wederrechtelijk verkregen voordeel uit de betrokkenheid bij hennepteelt geschat op in totaal € 119.820. Het hof heeft het voordeel van de hennepkwekerijen in aanmerking genomen, maar komt tot een lager voordeel dan de rechtbank mede door de naar het oordeel van het hof uit het dossier volgende betrokkenheid van derden. Ook gaat de strafkamer van het hof uit van een einddatum van de ontnemingsperiode van 6 juni 2019, zijnde het moment van de aanhouding en begin van de hechtenis. Het ontnemingsvonnis van het hof staat onherroepelijk vast.
2.11.
De rechtbank heeft op 28 februari 2024 het door belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep in de onderhavige zaken ongegrond verklaard en de aanslagen en rentebeschikkingen gehandhaafd. De rechtbank heeft de vergrijpboete met 10% verminderd in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Ter zitting bij het hof heeft belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat niet meer in geschil is dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Gelet daarop is ook niet in geschil dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Het geschil spitst zich verder toe op het antwoord op de volgende vragen:
I. Heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 willekeurig vastgesteld?
II. Heeft de inspecteur met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2019 de beschikking belastingrente en de boetebeschikking terecht en tot een juist bedrag gegeven?
Aangezien het primaire standpunt van belanghebbende niet kan leiden tot een vermindering van de aanslag Zvw 2019 en daarmee ook niet tot een vermindering van de opgelegde belastingrentebeschikking is het hoger beroep in zoverre ongegrond.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot een gegrond hoger beroep en tot een vermindering van de aanslag IB/PVV 2019 en de belastingrente en vergrijpboete. De inspecteur concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en subsidiair tot een bijtelling van € 239.641.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
I. Heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 willekeurig vastgesteld?
4.1.
Als gevolg van de omkering van de bewijslast moet het hof beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van het belastbare inkomen (uit werk en woning) redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een (navorderings)aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur. [1] In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. [2] Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng. [3] Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, moet mede in aanmerking worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een (navorderings)aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. [4] Indien de hoogte van de schatting wordt betwist, komt het hof de bevoegdheid toe de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen. [5]
4.2.
De inspecteur stelt primair dat de schatting van het inkomen verdiend met de hennepteelt van € 327.965 redelijk is (zoals ook de rechtbank in de ontnemingsprocedure heeft geconcludeerd). De inspecteur stelt dat belanghebbende weliswaar vanaf 6 juni 2019 heeft vastgezeten en zelf geen opbrengsten uit de hennepkwekerijen heeft kunnen realiseren, maar dat andere betrokkenen voor hem handelingen hebben kunnen verrichten waarmee hij opbrengsten kan hebben verdiend. De inspecteur heeft zich ter zitting, desgevraagd, (nader) subsidiair op het standpunt gesteld dat de schatting moet worden beperkt tot € 239.641, zijnde het inkomen dat verkregen is totdat belanghebbende op 6 juni 2019 is aangehouden.
4.3.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor een redelijke schatting rekening moet worden gehouden met de betrokkenheid van derden en/of met de omstandigheid dat belanghebbende na 6 juni 2019 in hechtenis heeft gezeten, zoals ook het hof in de ontnemingsprocedure heeft gedaan.
4.4.
Het hof is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een redelijke schatting, omdat de inspecteur ook nadat belanghebbende in hechtenis zat nog inkomsten aan hem heeft toegerekend. Het standpunt van de inspecteur dat de rechtbank in de ontnemingsprocedure terecht heeft overwogen dat geen sprake is van medeplegen en dus het volledige bedrag aan inkomsten aan belanghebbende moet worden toegerekend, verhoudt zich moeilijk met het in hoger beroep ingenomen standpunt van de inspecteur dat belanghebbende gedurende zijn hechtenis inkomsten heeft genoten door de betrokkenheid van anderen die in de periode van hechtenis voor hem werkzaamheden zouden hebben verricht. Het hof acht aannemelijk dat belanghebbende inkomsten uit de hennepkwekerijen genereerde, maar hiertoe niet in staat was tijdens zijn hechtenis. Voorts acht het hof dat niet aannemelijk is geworden dat derden betrokken zijn geweest; daarbij weegt mee dat belanghebbende daarover geen opening van zaken heeft gegeven, terwijl dat onder deze omstandigheden wel op zijn weg ligt.
4.5.
Het hof stelt, gelet op het voorgaande, het belastbaar inkomen uit werk en woning vast op € 239.641, overeenkomstig het subsidiaire standpunt van de inspecteur.
II. Heeft de inspecteur de beschikking belastingrente en de boetebeschikking terecht en tot een juist bedrag gegeven?
Belastingrente
4.6.
Belanghebbende heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de belastingrentebeschikking. De belastingrentebeschikking die is opgelegd ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2019 wordt dienovereenkomstig verminderd.
Vergrijpboete
4.7.
De inspecteur heeft aan belanghebbende op grond van artikel 67d AWR in samenhang met paragrafen 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) een vergrijpboete opgelegd van 50% van de nageheven belasting, omdat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan door de opbrengsten uit de hennepkwekerij niet in de aangifte op te nemen. Deze boete is vervolgens verminderd door de rechtbank wegens overschrijding van de redelijke termijn (2.11).
4.8.
Het hof stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient te worden begrepen als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. [6] Het hof zal daarom beoordelen of de inspecteur heeft doen blijken dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat hij de aangifte voor het jaar 2019 niet, dan wel onjuist of onvolledig heeft gedaan.
4.9.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Hiervan is sprake als (i) belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat de aangifte onjuist of onvolledig is gedaan, en (ii) hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. [7]
4.10.
De inspecteur stelt dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aangifte IB/PVV 2019 niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. De inspecteur stelt dat het algemeen bekend is dat over de inkomsten uit hennepteelt belasting moet worden geheven, dat belanghebbende wist dat hij gelden ontving voor de door hem ontplooide activiteiten en dat hij wist dat over die extra inkomsten belasting was verschuldigd. Uit deze feiten en omstandigheden concludeert hij dat belanghebbende opzettelijk de inkomsten niet in zijn aangifte heeft opgenomen.
4.11.
Het hof oordeelt als volgt. Uit de ontnemingsprocedure volgt de betrokkenheid van belanghebbende bij de hennepkwekerijen tot in ieder geval 6 juni 2019 en daaruit concludeert het hof dat belanghebbende tot dat moment aanzienlijke inkomsten uit die betrokkenheid heeft genoten. De inkomsten uit de hennepteelt zoals hiervoor vastgesteld hebben eveneens betrekking op de periode tot 6 juni 2019. Belanghebbendes betrokkenheid bij de hennepteelt wordt door het hof naar zijn uiterlijke verschijningsvorm aangemerkt als zozeer gericht op het gevolg dat over deze inkomsten geen belasting wordt betaald, dat het – bij gebrek aan contra indicaties – niet anders kan zijn dan dat hij dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Daarmee komt het hof tot de conclusie dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet.
4.12.
Het hof acht de boete zoals door de rechtbank verminderd passend en geboden. De omstandigheid dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast is voor het hof in dit geval geen aanleiding om de boete te matigen. Het hof ziet daartoe geen aanleiding, omdat bij het bepalen van de grondslag van de heffing is aangesloten bij de rapporten wederrechtelijk verkregen voordeel en de update van het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Functioneel Parket Afpakken van 1 juni 2016.
Tussenconclusie
4.13.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.14.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de (proces)kosten
4.15.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.16.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank op 2 (punten) [8] x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.814.
4.17.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof op 2 (punten) [9] x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.814.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2019 en de daarbij behorende beschikking belastingrente en ongegrond voor het overige;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2019 en de daarbij behorende beschikking belastingrente;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep tegen de aanslag IB/PVV 2019 en de daarbij behorende beschikking belastingrente gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2019 en de daarbij behorende beschikking belastingrente;
  • vermindert de aanslag IB/PVV 2019 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 239.641;
  • vermindert de beschikking belastingrente evenredig;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 188 vergoedt;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 3.628.
De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, M.J.C. Pieterse en A.M. Van Amsterdam, leden, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
N.A. de Grave A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311.
2.Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483 en Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486.
3.Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086.
4.Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324.
5.Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9047.
6.Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2.
7.Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97, r.o. 4.2.2.
8.1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
9.1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.