ECLI:NL:GHSHE:2025:3710

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
24/417
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16, tweede lid, letter b, belastingverdrag LuxemburgArt. 30fc AWRAlgemene wet bestuursrecht art. 8:75Algemene wet bestuursrecht art. 8:108
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over aanslag IB/PVV 2017 en aftrek elders belast inkomen

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017, waarin de inspecteur slechts een deel van het buitenlandse inkomen als aftrek elders belast inkomen erkende. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.

Het hof oordeelt dat de aanslag tijdig is opgelegd, ondanks een adreswijziging die kort na het opleggen van de aanslag werd verwerkt. De inspecteur heeft de aanslag op het toen bekende adres verzonden, wat gelet op de omstandigheden niet onzorgvuldig was. Belanghebbende heeft bovendien digitaal kennisgenomen van de aanslag binnen de termijn voor bezwaar.

Ten aanzien van de fiscale behandeling van het buitenlandse inkomen en de ontslagvergoeding stelt het hof zich achter de eerdere oordelen van de rechtbank en kantonrechter. Er is geen sprake van een voortgezet dienstverband of opvolgend werkgeverschap, waardoor belanghebbende geen recht heeft op aftrek elders belast inkomen over het salaris en de ontslagvergoeding van de oude werkgever. Ook de belastingrente is correct berekend. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank over de aanslag IB/PVV 2017 en de toegewezen aftrek elders belast inkomen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/417
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] , destijds wonende te Curaçao,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 februari 2024, nummer 22/5460, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 opgelegd (hierna: de aanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is via Mijn Rechtspraak digitaal gedeeld met de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende woont in 2017 in Nederland en is werkzaam bij [A NV] . Als gevolg van de reorganisatie van de afdeling waar hij werkzaam is, komt de functie van belanghebbende te vervallen. Belanghebbende heeft ervoor gekozen om gebruik te maken van de opstapregeling in een sociaal plan. Als gevolg van deze keuze wordt de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd per 21 september 2017. In dat kader ontvangt belanghebbende een ontslagvergoeding van € 108.263, zijnde een bedrag van € 73.268 als ‘vergoeding opstapregeling’ en een bedrag van € 34.995 als vergoeding voor ‘afkoop hypotheekrentevergoeding’.
2.2.
In de laatste maanden van zijn dienstverband is belanghebbende (van 1 juli 2017 tot de beëindiging per 21 september 2017) door [A NV] . tewerkgesteld bij haar 100% dochteronderneming [A S.A.] . Belanghebbende heeft gedurende deze periode 32 dagen in Luxemburg gewerkt, het hieraan toerekenbare loon bedraagt € 27.887.
2.3.
Belanghebbende gaat op 29 september 2017 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (4 oktober tot 22 december 2017) aan met [A S.A.] . Deze arbeidsovereenkomst wordt twee maal verlengd en wordt op 30 september 2018 beëindigd.
Met ingang van 1 oktober 2018 ontvangt belanghebbende van het UWV een werkeloosheidsuitkering.
2.4.
Belanghebbende begint in 2021 een civielrechtelijke procedure tegen [A NV] . waarin hij verzoekt de arbeidsovereenkomst met [A NV] . te ontbinden, omdat daaraan nooit een rechtsgeldig einde is gekomen. Dit verzoek wordt afgewezen. Bij beschikking van 18 juni 2021 komt de kantonrechter tot het oordeel dat de werkzaamheden van 1 juli 2017 tot 21 september 2017 een ‘laatste tijdelijke klus’ waren voor [A NV] . en dat met de op 3 april 2017 gesloten overeenkomst daarna de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.
De daaropvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomst die belanghebbende heeft gesloten met [A S.A.] heeft niet tot gevolg dat sprake is van een voortgezet dienstverband met [A NV] .. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat ook geen sprake is van opvolgend werkgeverschap tussen [A NV] . en [A S.A.] . In zijn uitspraak heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat belanghebbende op eigen initiatief en vrijwillig (gebruikmakend van een ‘royale vertrekregeling’) de arbeidsovereenkomst met [A NV] . heeft opgezegd omdat hij een eigen bedrijf wilde starten. De kantonrechter overwoog voorts dat bij de aanstelling bij [A S.A.] geen sprake was van dezelfde of soortgelijke werkzaamheden die in de kern gelijk waren.
Tegen de uitspraak van de kantonrechter is geen hoger beroep ingesteld waardoor deze onherroepelijk is geworden.
2.5.
Belanghebbende is in 2018 uitgenodigd om uiterlijk 1 mei 2018 de aangifte IB/PVV 2017 in te dienen. De gemachtigde heeft op 29 maart 2018 (in het kader van de uitstelregeling voor belastingconsulenten, de becon-regeling) uitstel gevraagd. Dit verzoek is door de Belastingdienst op 13 januari 2019 verwerkt, daarbij is uitstel verleend met één jaar tot 1 mei 2019.
2.6.
Namens belanghebbende is door zijn gemachtigde op 11 januari 2019 de aangifte IB/PVV 2017 ingediend (kort voor de toekenning door de inspecteur van het gevraagde uitstel). In de aangifte is opgave gedaan van € 190.643 aan Nederlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking (het salaris van [A NV] . tot 21 september 2017 ad € 82.380 plus de ontslagvergoeding ad € 108.263) en € 24.148 aan buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking (het salaris van [A S.A.] vanaf 4 oktober 2017). Na vermindering met een tweetal aftrekposten resteert een belastbaar inkomen van € 189.568. Belanghebbende verzoekt vervolgens om aftrek elders belast inkomen voor in totaal € 160.288, als volgt samengesteld:
- het gedeelte van het salaris van [A NV] . dat betrekking heeft op de periode 1 juli tot 21 september 2017 ad € 27.887;
- de van [A NV] . in 2017 ontvangen ontslagvergoeding ad € 108.263;
- het buitenlandse inkomen vanaf 4 oktober 2017 ad € 24.148, zijnde het van [A S.A.] ontvangen salaris.
2.7.
Met dagtekening 16 januari 2017 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV 2017 opgelegd, op basis waarvan hij een bedrag van € 9.634 ontvangt. Met dagtekening 15 maart 2019 is aan belanghebbende een nadere voorlopige aanslag opgelegd op basis waarvan hij een bedrag van € 66.058 ontvangt. In totaal heeft belanghebbende daarmee € 75.692 aan voorlopige teruggaven ontvangen.
2.8.
Belanghebbende is op 31 oktober 2020 voor zijn werkzaamheden aldaar, verhuisd naar Curaçao. Hij heeft bij de uitschrijving op 30 oktober 2020 bij de gemeentelijke Basisregistratie Personen een adres op Curaçao opgegeven ( [adres 1] te Curaçao).
2.9.
Bij mail van 4 november 2020 stuurt belanghebbende bewijsstukken van zijn uitschrijving uit de gemeentelijke Basisregistratie Personen aan de inspecteur, en verzoekt hij om toezending van poststukken naar het adres [adres 2] te [plaats] . In reactie daarop bevestigt de inspecteur op 12 november 2020 dat de correspondentie naar dit adres verzonden zal worden.
2.10.
In januari 2019 wordt de aangifte IB/PVV 2017 ingediend. Over deze aangifte zijn in de zomer van 2019 door de aanslagregelaar vragen gesteld, daarop is een mailwisseling met de gemachtigde gevolgd en is (nadere) informatie verstrekt. Op 5 november 2020 heeft de aanslagregelaar aan de gemachtigde medegedeeld dat besloten is om van de aangifte af te wijken. In de brief wordt aangekondigd: ‘Binnenkort ontvangt uw cliënt het aanslagbiljet waarop de afwijking van de aangifte van uw cliënt is verwerkt’. In de begeleidende mail is door de aanslagregelaar nog opgemerkt: ‘Ik zal geen voorkoming van dubbele belasting verlenen over het loon en de ontslagvergoeding die is ontvangen van [A NV] .’.
2.11.
Op 10 november 2020 wordt de aanslag vastgesteld, en als zodanig in het systeem van de Belastingdienst verwerkt. Op 15 november 2020 is de aanslag ‘fysiek aangemaakt’, hetgeen betekent dat het aanslagbiljet is geprint. Op 17 november 2020 is het (papieren) aanslagbiljet, geadresseerd aan door belanghebbende bij de gemeente opgegeven adres te Curaçao, aangeboden aan PostNL ter verzending.
2.12.
De aanslag, vastgesteld op 10 november 2020 en gedagtekend op 24 november 2020, is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 189.568 en resulteert in een te betalen bedrag van € 58.403. Zoals eerder medegedeeld bij brief van 5 november 2020 is daarbij afgeweken van de aangifte, in die zin dat alleen het bedrag van € 24.148 aan aftrek elders belast inkomen in aanmerking wordt genomen. Dit is het door [A S.A.] betaalde salaris voor de werkzaamheden vanaf 4 oktober 2017.
De andere twee door belanghebbende geclaimde bedragen (€ 27.887 aan salaris van [A NV] . over de periode 1 juli tot 21 september 2017 en € 108.263 door [A NV] . uitgekeerde ontslagvergoeding) worden niet als zodanig aangemerkt.
2.13.
Gelijktijdig met de aanslag wordt een bedrag van € 5.290 aan belastingrente in rekening gebracht, deze is berekend over de periode 1 juli 2018 tot en met 5 januari 2021.
2.14.
Belanghebbende neemt op 3 januari 2021 kennis van de opgelegde aanslag na raadpleging van zijn digitale dossier op ‘Mijn Belastingdienst’. Hij dient op dezelfde dag een bezwaarschrift in tegen deze aanslag.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil beperkt zich in hoger beroep (zo heeft belanghebbende desgevraagd bevestigd) tot het antwoord op de volgende vragen: is de aanslag tijdig opgelegd, heeft belanghebbende recht op een hogere aftrek elders belast inkomen dan het door de inspecteur in aanmerking genomen bedrag van bedrag van € 24.148, en is de belastingrente naar een te hoog bedrag opgelegd.
3.2.
Belanghebbende is van opvatting dat:
- de aanslag niet tijdig is opgelegd, meer in het bijzonder niet (tijdig) aan hem is bekend gemaakt;
- hij recht heeft op aftrek elders belast inkomen tot een totaal van € 160.288; en
- de belastingrente tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
3.3.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

tijdigheid aanslag
4.1.
De aanslag is opgelegd met dagtekening 24 november 2020 en door de Belastingdienst per post verzonden naar het door belanghebbende bij de gemeente opgegeven adres te Curaçao. Belanghebbende heeft verklaard (de brief met daarin) deze aanslag nimmer te hebben ontvangen. Hij is van opvatting dat de inspecteur de aanslag niet op de juiste wijze heeft bekendgemaakt, omdat de aanslag is verzonden naar zijn tijdelijke adres op Curaçao en niet naar het door hem opgegeven toezendadres in [plaats] .
4.2.1.
Op 4 november 2020 heeft belanghebbende een adreswijziging gestuurd ( [adres 2] te [plaats] ) en bij mail van 12 november 2020 heeft de inspecteur bevestigd dat correspondentie naar dit adres verzonden zal worden.
4.2.2.
Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd nader toegelicht, mede onder verwijzing naar bijlage 12 bij zijn verweerschrift (een rapportage van de Centrale administratieve
Processen van de Belastingdienst te Apeldoorn) dat de aanslag is opgelegd op 10 november 2020 en als zodanig in het systeem van de Belastingdienst is vastgelegd. Vervolgens is de aanslag geprint en kort daarna is de aanslag aangeboden aan PostNL ter verzending.
4.2.3.
Het hof stelt vast dat de aanslag daarmee is opgelegd kort vóór de verwerking door de Belastingdienst van het door belanghebbende opgegeven toezendadres. Het opleggen van de aanslag en het verzoek om adreswijziging hebben elkaar ‘gekruist’. De inspecteur dient een redelijke termijn gegund te worden om de adreswijziging te verwerken. In ieder geval heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur bewust geen of te laat rekening heeft gehouden met het verzoek van belanghebbende. Van onzorgvuldig handelen door de inspecteur is ook niet gebleken. Onder die omstandigheden kan de inspecteur niet worden verweten dat hij de aanslag heeft geadresseerd op het bij hem (tot dat moment) bekende adres op Curaçao. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat de inspecteur de aanslag op de juiste wijze aan belanghebbende heeft bekendgemaakt. De aanslag is opgelegd met dagtekening 24 november 2020 en daarmee (ook zonder verlenging) binnen de daarvoor geldende termijn, en is dus tijdig opgelegd. [1]
4.3.1.
Het hof voegt daaraan toe dat ook als belanghebbende moet worden gevolgd in zijn stelling dat de inspecteur de (papieren) aanslag niet op de juiste wijze heeft aangeboden, dit niet leidt tot een ander oordeel.
Immers, belanghebbende heeft verklaard, en ter zitting desgevraagd nader toegelicht dat hij op 3 januari 2021 kennis heeft genomen van de opgelegde aanslag. Hij heeft daartoe ingelogd op ‘Mijn Belastingdienst’ en heeft op deze wijze (zij het op eigen initiatief, op aanwijzing van zijn gemachtigde) kennisgenomen van de aanslag. Op dezelfde dag heeft hij tegen de aanslag bezwaar gemaakt, en is daarmee gebleven binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken die op 5 januari 2021 eindigde. Het bezwaarschrift had hij al eerder voorbereid en opgesteld, omdat hij door de correspondentie tussen inspecteur en gemachtigde al op de hoogte was van het voornemen tot afwijking van de aangifte – zo verklaarde hij ter zitting. Gesteld (hoewel belanghebbende daartoe ter zitting nadrukkelijk is uitgenodigd) noch gebleken is dat belanghebbende nadeel heeft ondervonden van het op deze wijze kennisnemen van de aanslag (digitaal in plaats van de papieren versie).
4.3.2.
Ook als moet worden uitgegaan van 3 januari 2021 als eerste moment waarop belanghebbende kennis heeft genomen van de aanslag en daarmee bekend gemaakt, is de aanslag dus tijdig opgelegd. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de gemachtigde uitstel heeft gevraagd. Tussen partijen is ook niet (meer) in geschil dat door de inspecteur uitstel is verleend van één jaar – zo heeft belanghebbende ter zitting desgevraagd nadrukkelijk erkend. De inspecteur heeft (ruim) binnen de (met één jaar) verlengde termijn de aanslag opgelegd.
4.3.3.
Belanghebbende heeft er nog op gewezen dat het uitstel al was gevraagd op 29 maart 2018 maar dat dit verzoek pas op 13 januari 2019 in behandeling is genomen en verwerkt. De inspecteur heeft ter zitting verwezen naar zijn bij het verweerschrift opgenomen bijlage, waarin de becon-regeling is beschreven en toegelicht. Daaruit volgt dat een verzoek om uitstel van een belastingconsulent niet direct na ontvangst wordt behandeld en al dan niet wordt toegekend. Het verzoek wordt behandeld in het licht van de voortgang van de indiening van de aangiften van andere cliënten van de consulent. Eerst op 13 januari 2019 is de Belastingdienst blijkbaar toegekomen aan het verzoek dat betrekking had op de aangifte van belanghebbende. Het hof heeft geen reden om aan deze toelichting en daaruit voortvloeiende verklaring (voor het tijdsverloop tussen aanvraag en toekenning van het uitstelverzoek) te twijfelen.
4.3.4.
Zoals belanghebbende terecht opmerkt, is het verzoek toegekend niet voorafgaand aan maar kort na het indienen van de aangifte. Dit staat verlening van de termijn van het opleggen van de aanslag niet in de weg. [2] Het vermoeden van belanghebbende dat hier geen sprake is van toeval, maar dat de inspecteur pas na het ontvangen van de aangifte is overgegaan tot behandeling van het uitstelverzoek (zo dit al relevant zou zijn) deelt het hof niet. Dit (blote) vermoeden is, tegenover de weerspreking door de inspecteur, op geen enkele wijze nader onderbouwd.
4.3.5.
Alsdan komt het hof tot het oordeel dat ook als ervan moet worden uitgegaan dat de inspecteur het aanslagbiljet naar een onjuist adres heeft verzonden, de aanslag belanghebbende (uiteindelijk) heeft bereikt en daarmee in voldoende mate aan belanghebbende bekend is gemaakt. Ook als moet worden uitgegaan van 3 januari 2021 als moment dat de aanslag aan belanghebbende bekend is gemaakt, is de aanslag tijdig opgelegd.
recht op aftrek ter voorkoming dubbele belasting
4.4.
Bij het opleggen van de aanslag is rekening gehouden met een bedrag van € 24.148 aan aftrek elders belast inkomen. Dit is het door [A S.A.] betaalde salaris voor de werkzaamheden vanaf 4 oktober 2017.
4.5.
Belanghebbende is van opvatting dat daarnaast aftrek moet worden toegekend voor het door [A NV] . betaalde salaris ad € 27.887 dat ziet op de periode van 1 juli 2017 tot 21 september 2017 (dat belanghebbende werkzaamheden heeft verricht in Luxemburg) en tevens voor de in het kader van het beëindigen van de dienstbetrekking toegekende ontslagvergoeding ad € 108.263. Het hof kan belanghebbende hierin niet volgen, en overweegt daartoe als volgt.
4.6.
Belanghebbende heeft vanaf 1 juli 2017 voor zijn werkgever [A NV] . werkzaamheden verricht bij een dochteronderneming in Luxemburg. Bij het beëindigen van de dienstbetrekking heeft hij een ontslagvergoeding ontvangen. De rechtbank heeft dien aangaand overwogen:
“Heeft belanghebbende recht op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over zijn loon toerekenbaar aan werkzaamheden verricht in Luxemburg?
5.4.
Belanghebbende heeft in de periode vanaf 1 juli tot 21 september 2017 uit hoofde van zijn dienstbetrekking met [A NV] . werkzaamheden verricht voor [A S.A.] Op 32 dagen heeft hij gedurende deze periode zijn werkzaamheden in Luxemburg verricht.
5.5.
Belanghebbende stelt dat [A S.A.] gedurende deze periode als de werkgever in de zin van artikel 16, tweede lid, letter b, van het belastingverdrag met Luxemburg3 aangemerkt dient te worden. Belanghebbende onderbouwt zijn stelling met een verwijzing naar de uitleg van het begrip werkgever in het gewijzigde commentaar bij het OESO-modelverdrag zoals dat luidt sinds 22 juli 2010. Daarom stelt belanghebbende dat hij recht heeft op een voorkoming van dubbele belasting voor zijn loon toerekenbaar aan de 32 dagen waarop hij zijn werkzaamheden in Luxemburg heeft verricht. De inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
5.6.
De rechtbank overweegt dat het belastingverdrag met Luxemburg is gesloten op 8 mei 1968. Bij de interpretatie van belastingverdragen is slechts het commentaar op het OESO-modelverdrag zoals dat luidde op de datum van het sluiten van het verdrag van belang (verdragsanterieur commentaar).4 De rechtbank is daarom van oordeel dat bij de interpretatie van het begrip werkgever voor de toepassing van artikel 16, tweede lid, letter b, van het belastingverdrag met Luxemburg het gewijzigde commentaar op het OESO-modelverdrag niet in aanmerking genomen dient te worden.
5.7.
De Hoge Raad heeft voor belastingverdragen die zijn gesloten voor 22 juli 2010 geoordeeld dat het begrip werkgever voor toepassing van het werknemers artikel (zoals artikel 16, tweede lid, letter b, van het belastingverdrag met Luxemburg) materieel uitgelegd dient te worden.5
Uit deze arresten volgt dat de inlenende onderneming kwalificeert als de materiële werkgever voor verdragstoepassing indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- de werknemer staat in een gezagsverhouding staat tot de inlenende onderneming en
- de werkzaamheden worden voor rekening en risico van de inlenende onderneming verricht.
Aan de laatste voorwaarde wordt volgens de Hoge Raad slechts voldaan indien er sprake is van een geïndividualiseerde doorbelasting van de salariskosten van de werknemer aan de inlenende onderneming.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat recht bestaat op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat [A NV] . zijn salariskosten geïndividualiseerd heeft doorbelast aan de inlener [A S.A.] Dat belanghebbende geen beschikking had noch kon krijgen over de hiervoor noodzakelijke gegevens uit de boekhouding van [A NV] . dient volgens de rechtbank voor zijn risico te komen. Belanghebbende heeft daarom geen recht op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over zijn loon van [A NV] . toerekenbaar aan werkzaamheden verricht in Luxemburg gedurende de periode 1 juli tot 21 september 2017.
Heeft belanghebbende recht op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over zijn ontslagvergoeding?
5.9.
Belanghebbende neemt het standpunt in dat hij recht heeft op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over zijn ontslagvergoeding. Hij doet daartoe een beroep op een besluit van de staatssecretaris6 (het Besluit) waarin als beleid met betrekking tot de toewijzing van het heffingsrecht over ontslagvergoedingen in internationaal verband is opgenomen:
“Volgens paragraaf 2.7 van het OESO-commentaar op artikel 15 van Pro het OESO-modelverdrag vindt toerekening van een ontslagvergoeding in algemene zin (volgens arbeidscontract of wetgeving) plaats op basis van de laatste twaalf maanden van uitoefening van de dienstbetrekking. Of de beloning ten laste is gekomen van een werkgever in de werkstaat is voor de toerekening niet van belang. De toerekening van de ontslagvergoeding aan de laatste twaalf maanden van uitoefening van de dienstbetrekking betekent niet automatisch dat het heffingsrecht over de ontslagvergoeding in zoverre toekomt aan het land waar de dienstbetrekking feitelijk is uitgeoefend. Daarvoor is doorslaggevend of dat land het heffingsrecht heeft over het reguliere loon dat ter zake van die werkzaamheden is betaald (artikel 15 OESO Pro-modelverdrag)”Belanghebbende stelt dat hij zijn werkzaamheden gedurende de laatste twaalf maanden van zijn dienstbetrekking in Luxemburg heeft verricht en het heffingsrecht over zijn ontslagvergoeding op grond van het Besluit aan Luxemburg dient te worden toegewezen.
5.10.
De rechtbank stelt vast dat de kantonrechter te Amsterdam heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst van belanghebbende met [A NV] . per 21 september 2017 is beëindigd. Het feit dat belanghebbende daarna een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur met [A S.A.] is aangegaan, heeft volgens de kantonrechter niet tot gevolg dat sprake is van een voortgezet dienstverband met [A NV] . Tevens is geen sprake van opvolgend werkgeverschap tussen [A NV] . en [A S.A.]
5.11.
De rechtbank overweegt dat in de fiscale wet- en regelgeving voor de uitleg van het begrip dienstbetrekking wordt aangesloten bij het civielrechtelijke begrip arbeidsovereenkomst. Dit geldt ook voor de toepassing van het belastingverdrag met Luxemburg omdat het begrip dienstbetrekking daarin niet afzonderlijk is gedefinieerd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat voor toepassing van het Besluit de dienstbetrekking van belanghebbende met [A NV] . per 21 september 2017 is beëindigd.
5.12.
De rechtbank stelt vast dat, gezien haar oordeel in overweging 5.8 en hetgeen belanghebbende heeft gesteld, Nederland het heffingsrecht heeft over het volledige loon uit dienstbetrekking met [A NV] . gedurende de laatste twaalf maanden van de uitoefening hiervan (periode vanaf 21 september 2016 tot 21 september 2017). Daarom is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende geen recht op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting heeft over zijn ontslagvergoeding. Dit oordeel geldt voor beide componenten van de ontslagvergoeding.
Voetnoot 3: Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belasting en naar het inkomen en naar het vermogen gesloten op 8 mei 1968.
Voetnoot 4: Hoge Raad 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1436.
Voetnoot 5: Zie Hoge Raad, 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ3169/AT3920/ AZ3918/AT3932/AT3928.
Voetnoot 6: DGB 2015/584M Belastingverdragen, OESO-commentaar op artikel 15 en Pro 17 OESO-modelverdrag, ontslagvergoedingen [...].”
Het hof neemt dit oordeel en de overwegingen waarop het berust, over en maakt ze tot de zijne. Ten aanzien van hetgeen belanghebbende in hoger beroep nog (aanvullend op wat reeds in eerste aanleg is gesteld) naar voren heeft gebracht, overweegt het hof als volgt.
4.7.
Belanghebbende brengt ook in hoger beroep naar voren dat sprake is geweest van een voortgezet dienstverband, dan wel van opvolgend werkgeverschap, en verbindt daar fiscale consequenties aan. De kantonrechter had al eerder in zijn beschikking uitvoerig gemotiveerd geoordeeld dat daar geen sprake van is geweest (van voortgezet dienstverband, noch van opvolgend werkgeverschap). De rechtbank heeft (zie de hiervoor geciteerde overwegingen) dit oordeel gevolgd net als het hof nu doet en die tot de zijne maakt. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht, die nopen tot een ander oordeel.
4.8.
Anders dan belanghebbende stelt, is niet reeds op 1 juli 2017 een arbeidsbetrekking, in de zin van een permanente tewerkstelling bij [A S.A.] ontstaan. Deze arbeidsbetrekking is eerst op 4 oktober 2017 (en daarmee na het ontslag bij [A NV] .) door belanghebbende aangegaan. Van een overname door [A S.A.] van rechten en verplichtingen die bestonden jegens [A NV] . is dan ook geen sprake. De op basis van dit onjuiste uitgangspunt door belanghebbende ingenomen stellingen, vinden geen steun in de feiten. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht, die nopen tot een ander oordeel.
4.9.
Op grond van het voorgaande komt het hof (net als de rechtbank) tot het oordeel dat er slechts plaats is voor aftrek elders belast inkomen tot een bedrag van € 24.148, zoals reeds door de inspecteur toegekend.
belastingrente
4.10.
Gelijktijdig met de aanslag is een bedrag van € 5.290 aan belastingrente in rekening gebracht. De rente is berekend over de periode 1 juli 2018 tot en met 5 januari 2021.
4.11.
Belanghebbende is van opvatting dat tot 15 maart 2019 (de dagtekening van de nadere voorlopige aanslag) de Belastingdienst (nog) beschikte over de bij de voorlopige aanslag aan belanghebbende betaalde € 66.058 omdat dit bedrag als loonheffing (door de werkgever zijnde de inhoudingsplichtige) al was afgedragen. Over de periode tot 15 maart 2019 heeft de Belastingdienst geen renteschade geleden en dient de belastingrente in zoverre te worden verminderd. De rechtbank heeft dien aangaand overwogen:
“Is de in rekening gebrachte belastingrente op de juiste wijze berekend?
5.19.
Belanghebbende heeft gesteld dat het onredelijk is dat belastingrente in rekening gebracht wordt over de periode 1 juli 2018 tot 15 maart 2019 omdat de teruggave op grond van de voorlopige aanslag IB/PVV 2017 eerst op de 15 maart 2019 is ontvangen.
5.20.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur op grond van artikel 30fc van de AWR de verschuldigde belastingrente op de juiste wijze heeft berekend.
5.21.
De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat er aanleiding kan zijn om de belastingrente te verminderen indien, kort gezegd, belanghebbende met betrekking tot de betaling van zijn belastingschuld niet in verzuim is (Hoge Raad 18 november 2022 ECLI:NL:HR:2022:1673). De rechtbank overweegt dat uit artikel 30fc van de AWR volgt dat als door toedoen van de belastingplichtige de aanslag IB/PVV pas later dan zes maanden na het einde van het belastingjaar kan worden opgelegd met een te betalen bedrag tot gevolg, de belastingplichtige geacht wordt in verzuim te zijn. De belastingrente wordt dan in rekening gebracht over een rentetijdvak dat gelijk loopt met de start van het verzuim.
In dit geval is de aangifte IB/PVV 2017 op 11 januari 2019 door belanghebbende ingediend. Dit betekent dat door toedoen van belanghebbende de aanslag IB/PVV 2017 pas later dan zes maanden na het einde van het belastingjaar 2017 kon worden opgelegd. Belanghebbende wordt daarom geacht in verzuim te zijn met ingang van 1 juli 2018 omdat hij niet tijdig aan zijn fiscale verplichting heeft voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom geen aanleiding om de in rekening gebrachte belastingrente in dit geval te verminderen.”
Het hof neemt dit oordeel en de overwegingen waarop het berust, over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep heeft belanghebbende (in aanvulling op wat reeds in eerste aanleg is gesteld) geen nieuwe of nadere feiten of omstandigheden naar voren gebracht, die nopen tot een ander oordeel.
4.13.
De verwijzing naar Hoge Raad 18 november 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1673) treft geen doel. Anders dan bij die uitspraak is in het onderhavige geval geen sprake van een door belanghebbende
zelfop een voorlopige aanslag betaald bedrag IB/PVV dat bij een nadere voorlopige aanslag deels is teruggeven. De stelling van belanghebbende dat rekening gehouden moet worden met reeds afgedragen loonheffing, vindt geen steun in het recht. [3]
Tussenconclusie
4.14.
Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is ongegrond, de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
Ten aanzien van het griffierecht
4.15.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.16.
Het hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door A.M. van Amsterdam, voorzitter, M.E. Smorenburg en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is ondertekend door de griffier, en door M.E. Smorenburg, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De raadsheer,
E.A.D. Dockx M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 mei 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1410.
2.Vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:254.
3.vgl. MvT 2021/22 Fiscale verzamelwet 2023, 36107 nr. 3, p. 19.