Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1355

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
24/1244
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9:6 Wet IB 2001Art. 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001Art. 8:68 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verzoek ambtshalve vermindering aanslag inkomstenbelasting 2020

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020, stellende dat het uitgekeerde bedrag van een financieel product een spaarsaldo betrof en daarom niet belastbaar in box 1 was. De inspecteur kwalificeerde het bedrag als uitkering van een lijfrentekapitaal, belast in box 1, en wees het verzoek om ambtshalve vermindering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigt dit oordeel.

Belanghebbende sloot in 1993 een lijfrenteproduct af, dat in 2000 werd omgezet in een ander verzekeringsproduct. Premies werden tot 2009 betaald, daarna werd de verzekering premievrij gemaakt. Op de einddatum in 2018 werd een uitkering gedaan die in 2020 werd uitgekeerd, waarbij loonheffing werd ingehouden. Belanghebbende betoogde dat het om een spaartegoed ging, maar bracht geen bewijs aan ter onderbouwing.

Het hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het om een spaarsaldo gaat dat onder box 3 valt. De betaalde premies en de aard van het product wijzen op een lijfrente, belast in box 1. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2020 wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1244
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 juni 2024, nummer BRE 23/71, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2020 opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar ook behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak om de aanslag niet ambtshalve te herzien bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat belanghebbende bij brief van 11 november 2025 is uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer BK-SHE 24/1244, is per aangetekende post verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. De aangetekende brief is op 28 november 2025 retour ontvangen door de griffie van het hof. Vervolgens is op dezelfde dag de uitnodiging opnieuw, ditmaal per gewone post, aan belanghebbende verzonden. Deze gewone post is niet retour ontvangen.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen is verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak is geplaatst.
1.9.
Op 8 mei 2026 is bij het hof een brief van belanghebbende binnengekomen, waarin hij schrijft dat hij wil dat deze brief bij een eerlijke onafhankelijke rechter komt en dat zij er samen over kunnen praten bij de rechtbank in Den Bosch. Het hof heeft deze brief als een verzoek om heropening van het onderzoek beschouwd en dit verzoek op de hierna onder 4.2 vermelde gronden afgewezen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft een [product 1] afgesloten. De polis heeft als ingangsdatum 11 november 1993 en einddatum 10 november 2018 (polisnummer [nummer 1] ).
2.2.
[interpolis] (hierna: Interpolis) heeft in een brief van 12 december 2000 aan belanghebbende geschreven dat de [product 1] in verband met afkoop is beëindigd en de beschikbare afkoopwaarde van € 21.347,49 ( 47.043,70) is aangewend als koopsom voor een verzekering met polisnummer [nummer 2] (hierna: [product 2] ).
2.3.
Interpolis heeft in een brief van 1 maart 2010 aan belanghebbende geschreven:
“(…) U heeft een [product 2] met polisnummer [nummer 2] . In de verzekeringsvoorwaarden is vastgelegd dat u hiervoor premies moet betalen. Op deze verzekering is vanaf 11 november 2009 een premieachterstand van € 300,00. In deze brief leg ik u uit wat er nu gebeurt.
Wij gaan de verzekering per 11 november 2009 premievrij maken. U blijft wel de kosten betalen uit uw beleggingstegoed. Dit kan betekenen dat het uit te keren kapitaal op de einddatum van de verzekering lager wordt of zelfs helemaal opraakt. De verzekering wordt dan beëindigd. (…)”.
2.4.
Interpolis heeft in een brief van 12 november 2018 aan belanghebbende geschreven:
“(…) Op 10 november 2018 is uw [product 2] met polisnummer [nummer 2] gestopt. De uitkering is € 41.263,51. (…)”.
2.5.
Belanghebbende heeft de inspecteur verzocht om saldoverklaringen. Op 3 januari 2019 heeft de inspecteur twee saldoverklaringen aan belanghebbende verstrekt.
De eerste saldoverklaring betreft de [product 1] . Uit de aangifte IB/PVV 1999 van belanghebbende bleek dat de in dat jaar betaalde lijfrentepremie van € 2.808 in aftrek is gebracht op zijn inkomen. Voor de jaren 1993 tot en met 1998 waren de betaalde premies respectievelijk € 2.760, € 2.758, € 2.765, € 2.773, € 2.788 en € 2.794. Over deze jaren was geen informatie beschikbaar over een eventuele aftrek.
De tweede saldoverklaring heeft betrekking op het [product 2] . Hierin staat dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor de jaren 2001 tot en met 2009 een totaalbedrag van € 300 aan premie niet heeft afgetrokken. De betaalde premies bedroegen in de jaren 2000 tot en met 2004 jaarlijks € 1.000 en voor de jaren 2005 tot en met 2008 jaarlijks € 300. Over het jaar 2000 ontbreekt ook informatie over een eventuele aftrek.
2.6.
Belanghebbende heeft het uit te keren bedrag ondergebracht bij ABN Amro Bank N.V. (hierna: ABN Amro). Belanghebbende heeft hierover in een brief van 4 december 2019 aan de inspecteur geschreven:
“ (…) In 1993 heb ik een cumulent spaarplan bij de Rabobank aangegaan dat bleek een woekerpolis te zijn ik zou 10 % rente krijgen en dan rente over rente zou ik op einde van de rit 300.000 gulden krijgen maar in 1999 bleek het niet zo te zijn toen ben ik er mee gestopt om te betalen.
En is het omgezet in aandelen [aandelen]
Ze bleven mij wel elk jaar brieven sturen dat ik moest betalen maar heb het niet meer gedaan ik had op dat moment 47.000 gulden
Ik heb nooit betaald of ingelegd om er belasting voordeel te hebben ik verdiende 2000 gulden per maand dus belasting voordeel had ik niet toen der tijd hoefden wij geen belasting papieren in te vullen als geen aftrekposten had zie bijlage
Nu zijn de aandelen [aandelen] verkocht door de Rabobank en staat er 41 .000 euro op mijn rekening en ik kan er volgen de ABN bank er pas over 6 jaar over beschikken. (…)
ik wil graag over mijn geld beschikken misschien 5000 euro per jaar opnemen dat ik iets meer tot mijn beschikking heb ik ben 100 % arbeidsongeschikt (…)
Dus ik wil graag een Brief van jullie dat ik mijn geld mag opnemen”.
2.7.
De inspecteur heeft in een brief van 19 december 2019 aan belanghebbende geschreven:
“(…)
Afkopen lijfrenteproduct bij arbeidsongeschiktheidIndien u ten tijde van de afkoop van de lijfrenteverzekering volledig arbeidsongeschikt bent, kunt u een lijfrenteproduct afkopen.
Aanvullende voorwaarden zijn wel dat u de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt op het moment van de afkoop en dat het bedrag van de afkoop in beginsel niet hoger mag zijn dan € 41.132 (belastingjaar 2019).
Voldoet u aan de hiervoor genoemde voorwaarden dan bent u gerechtigd het lijfrenteproduct af te kopen en vrijgesteld van de verschuldigde revisierente van 20% van de afkoopsom.
Dit betekent echter niet dat u over de afkoopsom geen inkomstenbelasting verschuldigd bent. In beginsel zal de verzekeringsmaatschappij of bank waar u de verzekering heeft afgesloten, bij reguliere afkoop 51,95% aan inkomstenbelasting inhouden op de totale afkoopsom en afdragen aan de Belastingdienst. De afkoopsom wordt immers als inkomen aangemerkt en is hierdoor niet belastingvrij. (…)”.
2.8.
ABN Amro heeft blijkens een door de inspecteur overgelegde renseignementsverklaring in 2020 na inhouding van kosten aan belanghebbende een bedrag van € 41.181 aan belanghebbende uitgekeerd, waarop door de bank € 21.415 aan loonheffing is ingehouden.
2.9.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2020 het aan hem uitgekeerde bedrag van € 41.181 en de daarop ingehouden loonheffing van € 21.415 opgenomen als belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1, “pensioen, AOW, WAO, bijstand etc. uit vroegere db”).
2.10.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1), waarbij de aangifte van belanghebbende is gevolgd.
2.11.
De inspecteur heeft de ingehouden loonheffing verrekend met het bedrag van de aanslag IB/PVV 2020. Belanghebbende heeft de teveel ingehouden loonheffing teruggekregen.
2.12.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2020. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar ook aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
2.13.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat, hoewel belanghebbende vindt dat hij door de bank verkeerd is ingelicht en het kapitaal heeft bedoeld als een manier om geld te sparen, op basis van de stukken zoals de inspecteur heeft ingebracht aannemelijk is dat het om een lijfrente gaat. Belanghebbende heeft geen stukken in kunnen brengen in de procedure die dit ontkrachten. De inspecteur heeft de opname van het kapitaal dus terecht als inkomen in box 1 belast, aldus de rechtbank.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur het verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2020 terecht en op goede gronden heeft afgewezen.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2020, in die zin dat het ingehouden bedrag aan loonheffing van € 21.415 aan hem wordt terugbetaald.
3.3.
De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
Uitnodiging voor de zitting
4.1.
De griffie van het hof heeft de uitnodiging voor de zitting op 11 november 2025 per aangetekende post aan belanghebbende verzonden en op 28 november 2025 retour ontvangen (zie 1.6). Op de retour ontvangen envelop is door PostNL als reden voor het terugsturen vermeld dat de envelop niet is afgehaald. De griffier heeft onderzocht of belanghebbende op de dag van verzending of uiterlijk een week daarna in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven op het op het stuk vermelde adres. Dat bleek het geval te zijn. De griffier heeft naar aanleiding van de retourontvangst van de uitnodiging deze per gewone post naar hetzelfde adres verzonden. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.
4.2.
Het hof merkt de onder 1.9 vermelde brief aan als een verzoek tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 Algemene Pro wet bestuursrecht. Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan omdat het hof van oordeel is dat het onderzoek volledig is geweest. Het hof rekent de brief van belanghebbende niet tot de gedingstukken en slaat daar geen acht op.
Ten aanzien van het geschil
Ambtshalve vermindering van aanslag
4.3.
In artikel 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) zijn bijzondere regels opgenomen voor de ambtshalve vermindering van een aanslag IB/PVV. Het tweede lid van artikel 9.6 Wet IB 2001 verwijst naar de bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen waarin de inspecteur een onjuiste belastingaanslag ambtshalve vermindert. Die ministeriële regeling is opgenomen in artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001, waarin is bepaald dat de inspecteur ambtshalve een belastingaanslag vermindert zodra hem is gebleken dat die aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. [1] Dit betekent dat de belastingplichtige aannemelijk moet maken dat de aanslag te hoog is vastgesteld. De bewijslast rust dus op de belastingplichtige, in dit geval belanghebbende. [2]
Lijfrentekapitaal of spaarsaldo
4.4.
Volgens de inspecteur gaat het om een uitkering van een lijfrentekapitaal en dat is belast in box 1. Volgens belanghebbende gaat het om een betaling van een spaarsaldo van € 41.181 en is de uitkering daarom niet belastbaar in box 1. Het hof volgt belanghebbende hierin niet en legt dat hierna uit.
4.5.
Belanghebbende heeft in 1993 de [product 1] afgesloten (zie 2.1). Hij heeft in zijn schriftelijke stukken toegelicht dat hij deze polis in 1993 heeft afgesloten als (aanvulling op zijn) pensioen, met het doel op zijn 60e te stoppen met werken. Hij heeft geen polis of polisvoorwaarden in het geding gebracht.
4.6.
De [product 1] is beëindigd. Zoals uit de brief van Interpolis van brief van 12 december 2000 volgt is het beschikbare bedrag aangewend als koopsom voor een verzekering, in dit geval het [product 2] (zie 2.2). Volgens belanghebbende wilde hij zijn geld destijds beleggen in aandelen van [aandelen] en dat ook is gebeurd. Van het [product 2] zijn verder ook geen polis of polisvoorwaarden in het geding gebracht.
4.7.
Uit de saldoverklaringen van de inspecteur volgt dat belanghebbende over de jaren 1993 tot en met 2009 premies heeft betaald voor de [product 1] en het [product 2] , maar daarna niet meer. De premies zijn in elk geval in 1999, en vanaf 2001 tot en met 2009 in aftrek gebracht op zijn inkomen (zie 2.5). Dergelijke financiële producten worden voor de inkomstenbelasting aangemerkt als lijfrente die vallen in box 1, waarbij de betaalde premies aftrekbaar zijn en de uiteindelijke uitkering belast wordt.
4.8.
Belanghebbende heeft verklaard dat hij in 2009 met premiebetaling is gestopt omdat hij erachter was gekomen dat veel kosten werden ingehouden. Interpolis heeft bevestigd dat de verzekering daarom per 11 november 2009 premievrij is gemaakt. Het premievrij maken van de verzekering leidde gelet op de brief van Interpolis van 1 maart 2010 echter niet onmiddellijk tot een beëindiging daarvan. Hoewel geen premies meer in rekening werden gebracht, bleef belanghebbende de kosten uit het beleggingstegoed betalen. Daardoor zou het uit te keren kapitaal op de einddatum lager kunnen worden of zelfs helemaal op kunnen raken. In dat laatste geval zou de verzekering alsdan worden beëindigd (zie 2.3). Het premievrij maken van de verzekering heeft kennelijk ook uiteindelijk niet geleid tot beëindiging van de verzekering, gelet op het feit dat op de einddatum van het [product 2] sprake was van uit te keren kapitaal (zie 2.4).
4.9.
Het [product 2] is op de einddatum 10 november 2018 geëindigd en het uit te keren bedrag is ondergebracht bij ABN Amro. Belanghebbende heeft verklaard dat hij niet over het bedrag kon beschikken (zie 2.6). Uit de renseignementsverklaring van ABN Amro blijkt dat uiteindelijk in 2020 een bedrag van € 41.181 aan belanghebbende is uitgekeerd, waarop ABN Amro bank als inhoudingsplichtige € 21.415 aan loonheffing heeft ingehouden. De inspecteur heeft geen revisierente in rekening gebracht over het uitgekeerde bedrag vanwege de arbeidsongeschiktheid van belanghebbende op het moment van uitkering.
4.10.
Belanghebbende heeft de waarde van de [product 1] en het [product 2] niet als spaartegoed of overige bezittingen in box 3 opgenomen. Hij heeft in het verleden wel premies in aftrek gebracht (zie 2.5).
4.11.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende, gezien alle feiten en omstandigheden, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het om het saldo van een spaarrekening gaat die bedoeld is voor tussentijdse opname en valt onder het begrip vermogen in box 3 en de aanslag om die reden te hoog is vastgesteld. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering daarom terecht afgewezen.
4.12.
Het hof ziet in dat belanghebbende teleurgesteld is over de hoogte van het uiteindelijk aan hem uitgekeerde bedrag. Hij heeft toegelicht dat hij tot 2009 onverwacht hoge kosten heeft moeten maken en meent dat sprake was van een woekerpolis. Vervolgens zijn na het premievrij maken in 2009 de kosten op zijn tegoed ingehouden. Deze inhoudingen, samen met de ingehouden loonheffing, hebben geleid tot een lagere uitkering dan hij had verwacht. Het hof moet in deze zaak echter beoordelen of de aanslag IB/PVV 2020 te hoog is vastgesteld en dat is niet aannemelijk geworden.
Tussenconclusie
4.13.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.14.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1719 onder 3.2.1.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1080, onder 4.22.