ECLI:NL:GHSHE:2026:1452

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/171 en 25/173
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtGemeentewet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslagen forensenbelasting ondanks eigendoms- en EVRM-bezwaren

Belanghebbende is eigenaar van een woning in een andere gemeente dan waar zij duurzaam verblijft en werkt. De heffingsambtenaar legde aanslagen forensenbelasting op voor 2021 en 2022, welke belanghebbende betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de forensenbelasting ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het hof.

Het hof oordeelt dat het hoofdverblijf van belanghebbende in de gemeente is waar zij duurzaam woont en werkt, ondanks dat zij eigenaar is van een woning elders. De heffing van forensenbelasting is gebaseerd op het begrip hoofdverblijf en niet op het begrip thuisplek, wat niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Het hof wijst het beroep af omdat de belastingheffing een legitiem algemeen belang dient en niet leidt tot een buitensporige last voor belanghebbende.

Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het eigendomsrecht (artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM) wordt verworpen. De heffing is binnen de wettelijke bevoegdheid van de gemeente en het tarief is proportioneel. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aanslagen forensenbelasting.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/171 en 25/173
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats 1] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 januari 2025, nummers BRE 23/10648 tot en met 23/10651 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft de aanslagen zuiveringsheffing en forensenbelasting over de jaren 2021 en 2022 opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de aanslagen zuiveringsheffing gegrond verklaard en de bezwaren tegen de aanslagen forensenbelasting ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep voor zover betrekking hebbende op de aanslagen zuiveringsheffing niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor zover betrekking hebbende op de aanslagen forensenbelasting ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend. Het hof heeft aanvankelijk vier zaaknummers toegekend. Aangezien het geschil zich beperkt tot de aanslagen forensenbelasting, heeft het hof twee nummers laten vervallen.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en haar gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.7.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning aan [adres] in [ plaats 2] (hierna: de woning). De woning is het ouderlijk huis van belanghebbende. Zij heeft de woning als enig erfgename en rechtsopvolgster krachtens algemene titel verkregen. Belanghebbende stond in 2021 en 2022 niet in de woning of op een ander adres in de gemeente Terneuzen ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).
2.2.
De aanslagen zuiveringsheffing zijn door de heffingsambtenaar verminderd naar één vervuilingseenheid en zijn niet langer in geschil, zoals belanghebbende op de zitting van de rechtbank heeft bevestigd.
2.3.
De aanslag forensenbelasting 2021 is opgelegd naar een bedrag van € 2.548,98 gebaseerd op een WOZ-waarde van € 238.000. De aanslag forensenbelasting 2022 is opgelegd naar een bedrag van € 2.677,34 gebaseerd op een WOZ-waarde van € 263.000.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. is de heffing van de forensenbelasting in strijd met het EVRM, doordat wordt aangesloten bij het begrip ‘hoofdverblijf’ en niet bij het begrip ‘thuisplek’ of is anderszins sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht?
2. is de heffing van forensenbelasting in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de aanslagen forensenbelasting dan wel vermindering van die aanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting 2021 respectievelijk de Verordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting 2022 (hierna: Verordening 2021 respectievelijk Verordening 2022), wordt onder de naam ‘forensenbelasting’ een directe belasting geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente Terneuzen hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. Of iemand een hoofdverblijf in de gemeente heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
4.2.
De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen.
4.3.
Het belastingtarief 2021 bedraagt 10,71 promille van de heffingsmaatstaf en voor het jaar 2022 geldt een tarief van 10,18 promille van de heffingsmaatstaf.
4.4.
Belanghebbende heeft erkend dat zij in de woning in [plaats 1] , in welke gemeente zij ook staat ingeschreven, duurzaam verblijft, daar al jarenlang haar baan heeft en dat zij met [plaats 1] evenzeer een persoonlijke band heeft. Voor de beoordeling waar belanghebbende haar hoofdverblijf heeft, is de inschrijving in het BRP niet doorslaggevend, maar kan dat wel een belangrijke aanwijzing zijn. Op grond van feit dat belanghebbende duurzaam in [plaats 1] verblijft en in [plaats 1] haar baan heeft, is het hof van oordeel dat naar de omstandigheden beoordeeld, zij haar hoofdverblijf in [plaats 1] heeft.
4.5.
Belanghebbende is van mening dat de heffing van forensenbelasting in strijd is met het EVRM. Belanghebbende meent dat sprake is van schending van artikel 8 EVRM Pro dan wel van artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM (hierna: EP).
Belanghebbende stelt in de eerste plaats dat de eis dat geen hoofdverblijf wordt gehouden in de gemeente, betekent dat een inbreuk wordt gemaakt op het recht om op meerdere plaatsen een woning aan te houden. Het hof verwerpt deze stelling. Het enkele feit dat forensenbelasting wordt geheven, belemmert een persoon geenszins om meerdere woningen in meerdere gemeenten aan te houden.
Belanghebbende stelt voorts dat sprake is van een inbreuk op artikel 8 EVRM Pro. Dit artikel bepaalt onder andere dat een ieder het recht heeft op respect voor zijn woning. Volgens belanghebbende dient hier onder te worden verstaan ‘thuisplek’. Volgens belanghebbende geldt voor haar dat zowel haar woning in [plaats 1] als haar voormalige ouderlijk huis in [ plaats 2] als thuisplek heeft te gelden, met name omdat de woning in [ plaats 2] uitsluitend door haar wordt bewoond, hetgeen begrijpelijk is gezien haar sterke emotionele band met dat huis, en de stad waar alle overige leden van het gezin begraven zijn. Belanghebbende doet hierbij een beroep op het arrest Demades van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). [1] Het hof verwerpt dit betoog. Weliswaar volgt uit dit arrest dat het begrip ‘woning’ ruim moet worden uitgelegd, in die zin dat een persoon zijn tijd kan verdelen over twee huizen, en dat vanwege emotionele banden een tweede woning is aan te merken als ‘woning’ in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Dit betekent echter niet dat geen belasting zou mogen worden geheven. Artikel 8, lid 2, EVRM maakt immers een uitzondering voor maatregelen die bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van het economische welzijn van het land. Belastingheffing valt in beginsel onder die uitzondering. Het enkele feit dat de wetgever ervoor heeft gekozen om het criterium ‘hoofdverblijf’ te hanteren, voor de vraag of wel of niet forensenbelasting kan worden geheven, vormt dan ook geen inbreuk op artikel 8 EVRM Pro.
Dit zou anders kunnen zijn, indien die heffing van belasting is aan te merken als een inbreuk op het recht van eigendom als bedoeld in artikel 1 EP Pro. Het hof behandelt die vraag hierna.
4.6.
Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is belastingheffing te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 EP Pro en dient elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom in overeenstemming met het nationale recht te zijn en een legitiem doel in het algemeen belang na te streven, terwijl een inbreuk slechts is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist een redelijke verhouding ("fair balance") tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. [2] Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. [3] Of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. [4]
4.7.
Het hof stelt vast dat belanghebbende niet (cijfermatig) heeft onderbouwd dat de forensenbelasting zich in haar geval sterker laat voelen dan in het algemeen.
4.8.
Belanghebbende heeft voorts nog het standpunt ingenomen dat de heffing beperkt zou moeten blijven tot het bedrag dat de gemeente ontvangt uit het Gemeentefonds voor inwoners, welk bedrag kan worden gesteld op € 162 per inwoner. Een vergelijkbare redenering is terug te vinden in de conclusie van de Advocaat-Generaal van 22 december 2023. [5] De Hoge Raad heeft dit punt niet gevolgd in het daarop volgende arrest. [6] De Hoge Raad heeft immers in die zaak de heffing van forensenbelasting beperkt tot de heffing die gold in het jaar daarvoor en is niet teruggevallen naar een heffing gelijk aan de gemiste opbrengsten uit het Gemeentefonds.
4.9.
Voor zover belanghebbende beoogt te stellen dat de heffing van forensenbelasting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, verwerpt het hof die stelling. De Gemeentewet biedt de mogelijkheid tot het heffen van een forensenbelasting en de gemeente Terneuzen is niet buiten die bevoegdheid getreden. Ten aanzien van de tariefstelling is het hof van oordeel dat geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. [7]
Tussenconclusie
4.10.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.11.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.12.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, M.E. Smorenburg en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.EHRM 31 juli 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0731JUD001621990.
2.Zie onder andere Hoge Raad 3 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC2816, r.o. 3.8.1.
3.Vergelijk Hoge Raad 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3103 en Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:442.
4.Zie ook Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:2018:511.
5.Conclusie Advocaat-Generaal 22 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1224, punt 3.23.
6.Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178.
7.Vergelijk Hoge Raad 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AX0678.