ECLI:NL:GHSHE:2026:328

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
24/229 tot en met 24/234
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 AWRArt. 67d AWRArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging belastingaanslagen en boetes wegens onjuistheden in inkomstenbelasting 2016-2018

Belanghebbende is geconfronteerd met navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw en vergrijpboeten over de jaren 2016, 2017 en 2018. De inspecteur baseerde de aanslagen mede op een strafrechtelijk onderzoek waarbij onder meer amfetamineproductie en hennepkwekerij aan de orde waren. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan en bevestigde correcties op basis van vermogensvergelijkingen en strafrechtelijke bevindingen.

In hoger beroep heeft het hof de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. Het hof concludeert dat de inspecteur alle relevante stukken heeft overgelegd en dat de schattingen van het inkomen, gebaseerd op het strafrechtelijk onderzoek en vermogensvergelijkingen, redelijk en niet willekeurig zijn. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de aanslagen te hoog zijn of dat hij recht heeft op zelfstandigenaftrek en startersaftrek.

De boetes zijn passend en geboden geacht, waarbij de rechtbank deze matigde wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof constateert dat de redelijke termijn ook in hoger beroep is overschreden, maar ziet geen aanleiding tot verdere matiging. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslagen en boetes over 2016-2018.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/229 tot en met 24/234
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 februari 2024, nummers BRE 22/1684 tot en met 22/1691, 22/4703 en 22/4704, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) over de jaren 2016, 2017 en 2018 opgelegd. Bij alle belastingaanslagen IB/PVV en Zvw zijn beschikkingen belastingrente gegeven. Tevens zijn bij alle belastingaanslagen IB/PVV boeten opgelegd. Ook heeft de inspecteur met dagtekening 8 februari 2020 bij beschikking het verlies uit werk en woning voor het jaar 2016 vastgesteld op nihil.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017 en de daarbij gegeven rente- en boetebeschikking gegrond verklaard, deze aanslag en beschikkingen verminderd en de overige bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de in 1.2 bedoelde uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep betreffende de boetebeschikking 2016 gegrond verklaard en deze boetebeschikking vernietigd, het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2017 en de daarbij gegeven rente- en boetebeschikking gegrond verklaard en deze aanslag en beschikkingen verminderd, de overige beroepen ongegrond verklaard en nevenbeslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van de bezwaarkosten, proceskosten, immateriële schade en griffierecht.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft via een geluid- en beeldverbinding plaatsgevonden op 8 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Op deze zitting zijn de onderhavige zaken en de zaken met de nummers 24/237 tot en met 24/242 gelijktijdig behandeld.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.7.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is gehuwd met [echtgenote] . Belanghebbende en zijn echtgenote wonen in een huurwoning op het adres [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de woning of het woonadres).
2.2.
Belanghebbende en zijn zoon, [zoon] , waren firmanten van [de v.o.f.] (hierna: de v.o.f.). De v.o.f. is op 17 maart 2014 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven. De activiteiten van de v.o.f. zijn in 2017 gestaakt.
2.3.
De echtgenote van belanghebbende drijft een eenmanszaak met de handelsnaam [handelsnaam] , ingeschreven bij de Kamer van Koophandel op 17 oktober 2016. De onderneming is gevestigd op het woonadres.
2.4.
Belanghebbende heeft voor de jaren 2016, 2017 en 2018 aangiften IB/PVV ingediend. In de aangifte IB/PVV 2016 is een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.030 negatief aangegeven, geheel bestaande uit verlies uit onderneming. Voor de jaren 2017 en 2018 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen van nihil aangegeven.
2.5.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2016 - overeenkomstig de aangifte - vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en bij gelijktijdige beschikking het in 2016 geleden ondernemingsverlies vastgesteld op € 4.030. De inspecteur heeft de aanslag Zvw 2016 vastgesteld op nihil.
Strafrechtelijk onderzoek en strafrechtelijke procedure
2.6.
Belanghebbende en zijn zoon hebben met ingang van 2016 een bedrijfspand gevestigd aan de [adres 2] in [woonplaats] (hierna: de loods) gehuurd. Op 15 november 2017 rook een medewerker van de politie op de [adres 2] in [woonplaats] een sterke henneplucht. Naar aanleiding van dit signaal heeft de politie op 5 december 2017 een nader onderzoek uitgevoerd, waardoor het vermoeden is ontstaan dat in de loods een hennepkwekerij is gevestigd. Op 13 december 2017 heeft een doorzoeking van de loods plaatsgevonden.
2.7.
Op 20 februari 2019 heeft de officier van justitie bij de inspecteur een vordering ter verstrekking van historische gegevens gedaan. In reactie daarop heeft de inspecteur op 5 maart 2019 een ondertekende ambtsedige verklaring naar de officier van justitie gezonden.
2.8.
Op 11 maart 2019 heeft een doorzoeking van de woning plaatsgevonden. Tijdens de doorzoeking is onder meer contant geld ten bedrage van € 10.697 aangetroffen en in beslag genomen. Verder zijn tijdens de doorzoeking contant bonnen, rekeningen en facturen aangetroffen, voornamelijk met betrekking tot de jaren 2018 en 2019.
2.9.
Uit het “proces-verbaal relaas” [1] van de politie blijkt dat tijdens de doorzoeking in de loods op 13 december 2017 de volgende zaken zijn aangetroffen:

Verdomi:
- Ca 23,7 kg hennep en 2772 hennepstekken (deels verpakt in dozen);
- Grote hoeveelheid goederen en apparatuur voor het opzetten van hennepkwekerijen;
- 180 liter Methanol, 10 liter zwavelzuur en 1 liter amfetamine-base;
- 5 lege jerrycans vervuild met restanten amfetamine-olie;
- 30 x 25 ltr -jerrycans, 8 x 20 ltr -jerrycans, 23 x 10 ltr -jerrycans, 10 x 20 ltr -jerrycans, 10 x 5 ltr-jerrycans en 3 metalen en 2 plastic vaten van ieder 200 ltr en 1 x 1000 ltr-vat;
- 10 x XTC pillen;
- 33,22 gram MDMA-kristallen;
- 31 maatbekers, vervuild met restanten amfetamine-olie en amfetaminepoeder;
- 1 sealbag met ca 300 gram APAA(N);
- Gripzak met 60 gram amfetamine-pasta;
- Weegschalen, vervuild met wit poeder (amfetamine).
Wapens:
- 71 volle/ongebruikte bussen CS-gas;
- 4 stroomstootwapens in de vorm van een zaklamp.
Overig:
- Geldtelmachine;
- 702 stuks (vervalste) merkkleding;
- 2 (gestolen) elektrische fietsen;
- 1 detector Pro Pro-M10fx (anti-afluisterapparaat)
- 2 mobiele telefoons
- Randapparatuur (harddisc-recorder)
- Grote hoeveelheid cosmetica (waarde € 25.479,50);
- Grote hoeveelheid haar-cosmetica-producten (waarde € 42.530,83);
- Waterscooter, merk [merk] ;
- Jetloader (aanhangwagen voor Jetski);
- Gebruikt elektrisch gereedschap (Makita-boormachine, decoupeerzaag en bits);
- Administratie en bescheiden, waaronder een afschrift van de (originele) huurovereenkomst van de loods tussen de eigenaars: [eigenaar 1] en [eigenaar 2] met de verdachten [verdachte] en [zoon] (als huurders)”.
2.10.
In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is onderzoek gedaan naar de geldstromen van belanghebbende, zijn echtgenote en zijn zoon in de periode 1 januari 2016 tot en met 11 maart 2019. In het “Rapport kasopstelling” [2] van de politie met betrekking tot de kasstromen van belanghebbende is de volgende kasopstelling over die periode vermeld:
Omschrijving
Bedrag in €
Beginsaldo contant geld [3]
500,00
+/+
Legale contante ontvangsten incl. bankopnamen [4]
71.378,00
-/-
Eindsaldo contant geld [5]
10.697,00
Beschikbaar voor het doen van uitgaven
61.182,00
-/-
Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen [6]
233.149,32
Verschil (wederrechtelijk voordeel indien negatief)
171.967,32
2.11.
De strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant heeft belanghebbende bij vonnis van 23 december 2019 veroordeeld ter zake van “medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van harddrugs” tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
2.12.
De strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant heeft belanghebbende bij vonnis van 17 februari 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden ter zake van - in de kern weergegeven - het samen met zijn zoon voorhanden hebben van amfetamine, een grote hoeveelheid hennep, vier stroomstootwapens en 71 busjes traangas, en het verrichten van voorbereidingshandelingen als bedoeld in de Opiumwet door in een door hem gehuurde loods allerlei voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben waarmee amfetamine en/of MDMA kunnen worden gemaakt.
2.13.
De strafkamer van het hof heeft het in 2.12 bedoelde vonnis bij arrest van 27 maart 2023, parketnummer 20-000435-21 , bekrachtigd, met uitzondering van de opgelegde straf. Belanghebbende is in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 maanden.
2.14.
Tegen het in 2.13 bedoelde arrest van de strafkamer van het hof heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
Fiscaal onderzoek
2.15.
De inspecteur heeft op 14 mei 2019 de Officier van Justitie verzocht om aan hem op grond van artikel 55 AWR Pro gegevens en inlichtingen uit het strafrechtelijk onderzoek genaamd ‘ [onderzoek] ’ te verstrekken met het oog op de beoordeling van de belastingaangiften van belanghebbende (het artikel 55-AWR-verzoek).
2.16.
De inspecteur heeft bij belanghebbende een onderzoek ingesteld naar (onder meer) de volledigheid en juistheid van de bij de Belastingdienst bekende inkomsten in de jaren 2014 tot en met 2018.De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport, dat op 20 januari 2020 aan belanghebbende is verzonden (hierna: het controlerapport). In het controlerapport zijn vergrijpboeten aangekondigd. In het controlerapport is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

2.1 Proces verbaal relaas 2017239272
(…)
Productie
Gezien het aantreffen van de pre precusor APAA(N), dat gebruikt wordt voor de omzetting naar BMK, wordt uitgegaan van de Leuckartsynthese. Temeer omdat in de loods ook andere chemicaliën werden aangetroffen, zoals een grote hoeveelheid Methanol, geconcentreerd zwavelzuur en amfetamine-olie. Uit onderzoeken is gebleken dat deze chemicaliën bijna alleen maar worden aangetroffen in illegale laboratoria.
In de rapportage van het LFO beschrijft de dienst het productieproces voor amfetamine en de invloed van APAA hierop. Verder gaven zij een indicatie van de schaalgrootte over de productie amfetamine. Daaruit bleek aan de hand van de hoeveelheid aangetroffen spullen dat minimaal 165 tot 220 kilo natte amfetaminepasta is/zou kunnen zijn geproduceerd. Deze pasta is niet aangetroffen.
Kostprijs productie amfetamine-pasta
Door de Dienst Landelijke Recherche, team Expertise en Wetenschap, is een voorbeeld opgesteld omtrent de kostprijs van de productie van amfetamineproductie (2015).
De kostprijs in 2015 van 1 kg amfetaminepasta uit BMK bedroeg € 389,44.
De kostprijs in 2015 van 1 kg amfetaminepasta uit APAAN bedroeg € 170,69.
De verkoopprijs in de groothandel (af lab) in 2015 bedroeg per kg gemiddeld € 800.
De gemiddelde straatprijs in 2015 per kg bedroeg € 6.000.
De opbrengst groothandel minus de productiekosten uit APAAN was € 629,31 p/kg.
De opbrengst groothandel minus de productiekosten uit BMK was € 410,56 p/kg. De totale opbrengst uit BMK zou liggen tussen € 67.742,50 en € 90.323.20. De totale opbrengst uit APAAN zou liggen tussen € 103.836,15 en € 138.448,20. Hierbij zijn niet meegerekend de afvalkosten, opslag en afschrijving hardware.
Uitgaande van een maximale productie van 220 kg amfetaminepasta uit APAAN bedroeg de opbrengst 220 x € 629,31 = €138.448,20. Op grond van artikel 3.14 lid 1 zijn de kosten fiscaal van aftrek uitgesloten. Daar de goederen in december 2017 zijn aangetroffen ga ik ervan uit dat de opbrengst in het jaar 2017 is gerealiseerd.
De correctie voor de inkomstenbelasting 2017 bedraagt € 138.448.
Overige aangetroffen goederen
Behoudens bovenvermelde zaken betrekking hebbende op de opiumwet zijn tevens de volgende zaken aangetroffen:
- 651 stuks kleding van exclusieve/duurdere merken. Deze kleding bleek valselijk en voorzien van de (duurdere) merknamen.
- 2 elektrische fietsen welke gestolen bleken te zijn.
- 2 grote tassen en 4 vuilniszakken met hair-extensions en haarattributen.
- Grote hoeveelheid cosmetica van het merk MAC Cosmetics, opgeslagen in kratten.
De waarde van de haarattributen is door de politie gewaardeerd op € 42.530,83 en de waarde van de cosmetica op € 25.479,50. De overige producten zijn niet door de politie gewaardeerd.
Ik stel de waarde van de elektrische fietsen op € 750 per stuk en de waarde van de 651 stuks kleding op € 3.255 (€ 5,00 p/stuk). De goederen zijn aangetroffen op 13 december 2017 zodat ik ervan uit ga dat de producten ergens in het jaar 2017 zijn aangekocht.
De correctie voor de inkomstenbelasting 2017 bedraagt € 72.755.
(…)
4.2.
Vermogensvergelijking
(…)
De uitkomsten van het netto privé in de vermogensvergelijking van belastingplichtige en zijn partner zijn als volgt:
2014
2015
2016
2017
2018
(…)
(…)
€ -5.652
€ -27.735
€ -12.391
In de vermogensvergelijking is de correctie genoemd in hoofdstuk 2.1 meegenomen. In de vermogensvergelijking is de aankoop van een drietal auto's en verkoop van één auto niet meegenomen omdat via derden onderzoek niet is vastgesteld welke bedragen ontvangen of betaald zijn. Daarnaast is bij de doorzoeking op 11 maart 2019 een (aanzienlijk) contant geldbedrag aangetroffen welke niet in de vermogensvergelijking is meegenomen. Ook de (ver)bouw van een opstal achter de woonwagen is niet meegenomen in de vermogensvergelijking. Gesteld kan worden dat de vermogensvergelijking uiteindelijk nog een meer negatieve uitkomst geeft.
Op grond van de uitkomst van de vermogensvergelijking kan gesteld worden dat er binnen het gezin meer inkomen moet zijn geweest. Rekening houdend met huishoudelijke uitgaven rond ik de negatieve uitkomst van de vermogensvergelijking af op € 5.000 naar boven, derhalve (…) meer inkomen 2016 € 10.000, meer inkomen 2017 € 30.000 en meer inkomen 2018 € 15.000.
(…)
De correctie voor de inkomstenbelasting 2016 bedraagt € 10.000
De correctie voor de inkomstenbelasting 2017 bedraagt € 30.000
De correctie voor de inkomstenbelasting 2018 bedraagt € 15.000
4.3.
Zelfstandigenaftrek en startersaftrek
Belastingplichtige claimt in het jaar 2016 de zelfstandigenaftrek (€ 7.280) en de startersaftrek (€ 2.123). (…) Tijdens het onderzoek is geen urenregistratie aangetroffen. Op grond van de inkopen en verkopen zal ik beoordelen of belastingplichtige terecht de zelfstandigenaftrek heeft toegepast.
De inkopen hebben plaatsgevonden in de periode 14-03-2016 tot en met 09-05-2016. De omzet heeft plaatsgevonden in de periode 17-03-2016 tot en met 31-10-2016. In maart bedroeg de omzet € 18.500, in april € 16.510, in mei € 8.545, in juni € 4.860, in juli € 4.520, in augustus € 3.140, in september € 2.830 en in oktober € 2.400. Hieruit volgt dat de piek duidelijk in drie maanden heeft gelegen. Mede omdat belastingplichtige niet met een onderbouwing van de gewerkte uren is gekomen en er ook geen urenregistratie is aangetroffen stel ik me op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat belastingplichtige aan het urencriterium heeft voldaan. Aftrek van de zelfstandigenaftrek en startersaftrek is niet akkoord.
(…)
De correctie voor de inkomstenbelasting 2016 bedraagt € 9.403.
4.4.
MKB-winstvrijstelling
Belastingplichtige heeft over het jaar 2016 winst uit onderneming aangegeven. Uit de vermogensvergelijking blijkt dat er in deze jaren meer inkomen moet zijn geweest dan bekend bij de belastingdienst. In 2017 is vastgesteld dat belastingplichtige ook inkomsten genereerd uit hennep en/of synthetische drugs. Mogelijk dat belastingplichtige al langere tijd inkomsten uit hennep en/of synthetische drugs heeft gegenereerd. Ik merk de inkomsten aan als resultaat overige werkzaamheden. Hierop is geen MKB-winstvrijstelling van toepassing.
Met betrekking tot het jaar 2016 is sprake van winst uit onderneming. Hierop is de MKB-winstvrijstelling van toepassing.
2016
Het aangegeven fiscaal resultaat 2016 bedraagt
4.718
MKB-winstvrijstelling 14%
-660
Gecorrigeerd fiscaal resultaat
4.058
In het jaar 2016 is een bedrag van € 655 MKB-winstvrijstelling op aangifte bijgeteld.
Correctie MKB-winstvrijstelling 2016 bedraagt € 1.315 meer aftrek
(…)
6 Correcties
6.1.
Inkomstenbelasting
2014
2015
2016
2017
2018
Aangegeven inkomen box 1
(…)
(…)
€ - 4.030
Aangifte nog niet ontvangen
Aangifte nog niet ontvangen
Correctie hoofdstuk 2.1
(…)
(…)
€ 211.203
Correctie hoofdstuk 4.2
(…)
(…)
€ 10.000
€ 30.000
€ 15.000
Correctie hoofdstuk 4.3
(…)
(…)
€ 9.403
€ 0
€ 0
Correctie hoofdstuk 4.4
(…)
(…)
-/- € 1.315
€ 0
€ 0
Gecorrigeerd inkomen box 1
(…)
(…)
€ 14.508
€ 241.203
€ 15.000”.
2.17.
Bij het controlerapport is als bijlage een vermogensvergelijking gevoegd. De vermogensvergelijking bevat voor de onderhavige jaren de volgende conclusie:
VERMOGENSVERGELIJKING
2016
2017
2018
Vermogen begin boekjaar
-583
2.019
4.976
Inkomsten boekjaar
29.615
167.596
46.644
29.032
169.615
51.62
Uitgaven boekjaar
32.664
192.374
60.127
Theoretisch eindvermogen
-3.632
-22.759
-8.507
Vermogen einde boekjaar
2.02
4.976
3.884
Onbenoemd netto privé
-5.652
-27.735
-12.391
2.18.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport aan belanghebbende de in 1.1 vermelde belastingaanslagen opgelegd en beschikkingen gegeven:
Nummer hof
Dag-
tekening
Belasting-aanslag
Middel
Jaar
Inkomen box 1 /
Bijdrage-inkomen
Belasting-rente
Boete
24/229
08-02-2020
Navorderings-aanslag
IB/PVV
2016
14.058
127
594
24/230
08-02-2020
Navorderings-aanslag
Zvw
2016
14.058
83
-
24/231
11-02-2020
Aanslag
IB/PVV
2017
241.203
8.116
58.531
24/232
11-02-2020
Aanslag
Zvw
2017
53.701
51
-
24/233
17-03-2020
Aanslag
IB/PVV
2018
15
154
748
24/234
17-03-2020
Aanslag
Zvw
2018
15
23
-
Tevens heeft de inspecteur het verlies uit werk en woning 2016 vastgesteld op nihil.
2.19.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag IB/PVV 2017 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 203.651, de daarbij gegeven beschikking belastingrente verminderd tot € 6.762 en de boete 2016 verminderd tot € 48.767. De inspecteur heeft de overige belastingaanslagen en beschikkingen bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.
2.20.
De rechtbank heeft het beroep betreffende de boete 2016, de aanslag IB/PVV 2017 en de daarbij gegeven rentebeschikking en de boete 2017 gegrond verklaard en de overige beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de boete 2016 vernietigd, de aanslag IB/PVV 2017 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 192.351, de daarbij gegeven rentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de boete 2017 verminderd tot € 24.000.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:
Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
Zijn de belastingaanslagen tot te hoge bedragen vastgesteld? In dat kader is tevens in geschil of de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan.
Zijn de boeten 2017 en 2018 terecht opgelegd en zijn de boeten - na vermindering door de rechtbank - passend en geboden?
3.2.
Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en vermindering van de aanslagen tot nihil. Subsidiair concludeert belanghebbende tot vermindering van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 tot aanslagen berekend naar een inkomen uit werk en woning respectievelijk bijdrage-inkomen van € 41.792. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Vraag a: op de zaak betrekking hebbende stukken
4.1.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur zijn correctieberekeningen heeft gebaseerd op rapportages van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) en de Dienst Landelijke Recherche (DLR). Belanghebbende stelt dat de inspecteur die rapportages niet heeft overgelegd en dat de schattingen van de inspecteur daarom niet controleerbaar zijn. Volgens belanghebbende moet de inspecteur de rapportages opvragen bij het Openbaar Ministerie.
4.2.
De inspecteur heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij alle stukken die hem ter beschikking hebben gestaan, heeft overgelegd. Hij heeft verwezen naar het verslag van het hoorgesprek van 16 september 2021, waarin is vermeld dat de berekening is gebaseerd op het “proces-verbaal relaas” (zie 2.9) en dat navraag bij de controlemedewerker heeft uitgewezen dat hij geen andere stukken ter beschikking heeft gehad dan datgene wat reeds ter inzage is verstrekt.
4.3.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Het hof acht niet aannemelijk dat de rapportages de inspecteur ter beschikking hebben gestaan, nu uit het controlerapport (zie 2.16) volgt dat de correctieberekeningen zijn gebaseerd op het “proces-verbaal relaas” (zie 2.9). Anders dan belanghebbende meent is er geen rechtsregel die de inspecteur verplicht de rapportages (alsnog) bij het Openbaar Ministerie op te vragen. Het dossier biedt ook overigens geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
Navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2016
Vraag b: hoogte van de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2016
4.4.
De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2016 opgelegd, omdat volgens hem uit de vermogensvergelijking volgt dat belanghebbende méér inkomen heeft genoten dan in de aanslag IB/PVV en Zvw 2016 is begrepen. Tevens zijn in de navorderingsaanslagen de verleende zelfstandigenaftrek en startersaftrek teruggenomen en is de MKB-winstvrijstelling verhoogd.
4.5.
Belanghebbende stelt, net als in beroep, primair dat hij alle genoten inkomen in de aangifte IB/PVV 2016 heeft aangegeven en dus dat alle inkomen in de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 zijn begrepen, en subsidiair dat het vermeende inkomen moet worden aangemerkt als winst uit onderneming en niet als resultaat uit overige werkzaamheden en dat hij recht heeft op de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek.
4.6.
De rechtbank heeft in dat kader het volgende overwogen:
“7.1. De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, omdat belanghebbende de aangifte IB/PVV 2016 onjuist heeft ingevuld. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De inspecteur dient daarvoor aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken dat aan de aangifte inhoudelijke gebreken kleven en daardoor een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag aan belasting niet wordt geheven. De rechtbank zal eerst beoordelen of de inspecteur dat aannemelijk heeft gemaakt.
7.2.
De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2016 een bedrag van € 10.000 aan inkomsten moet hebben genoten. Hiervoor verwijst de inspecteur naar de door hem opgestelde vermogensvergelijking. Omdat de inspecteur uitgaat van een hoger bedrag aan winst uit onderneming, heeft de inspecteur de verleende MKB-winstvrijstelling naar boven gecorrigeerd. Verder stelt de inspecteur dat belanghebbende geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek omdat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende voldoet aan het urencriterium.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht een inkomenscorrectie van € 10.000 aangebracht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Een vermogensvergelijking kan een geschikte methode zijn om aannemelijk te maken dat er niet-aangegeven inkomen is. Indien een adequaat opgestelde vermogensvergelijking erin resulteert dat er sprake is van een negatieve kas (negatief netto privé), betekent dat immers dat er nog een andere bron moet zijn die een verklaring vormt voor het ter beschikking hebben van gelden ter hoogte van het negatief netto privé. Een negatief netto privé is namelijk uit de aard van de zaak niet mogelijk. Indien er geen andere plausibele bron is, is als uitgangspunt aannemelijk dat werkzaamheden zijn verricht waarmee inkomen is verdiend. De vermogensvergelijking van de inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank adequaat. Aan de in de vermogensvergelijking opgenomen bedragen liggen namelijk concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag. Deze bedragen vormen het negatieve saldo van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en zijn echtgenote en laten zien dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangifte IB/PVV 2016 heeft aangegeven. Belanghebbende heeft de juistheid van gegevens die ten grondslag liggen aan de vermogensvergelijking niet betwist. Hij heeft verder ook geen verklaring gegeven voor het negatieve saldo. Aangezien belanghebbende op zitting heeft verklaard dat indien enig inkomen zou worden gecorrigeerd, dit inkomen door hem is genoten en niet door zijn echtgenote, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende in 2016 inkomsten heeft genoten tot tenminste € 10.000 die hij in zijn aangifte IB/PVV 2016 niet heeft aangegeven.
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur ook de MKB-winstvrijstelling terecht en met het juiste bedrag - in positieve zin voor belanghebbende - gecorrigeerd. Tussen partijen is immers niet in geschil dat als de rechtbank van oordeel is dat sprake is van niet aangegeven inkomsten, deze moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming. Aangezien de winst uit onderneming door de correctie van € 10.000 hoger wordt, heeft belanghebbende ook recht op een hogere MKB-winstvrijstelling.
7.5.
Verder heeft de inspecteur de eerder verleende zelfstandigenaftrek en startersaftrek naar het oordeel van de rechtbank terecht teruggenomen. De zelfstandigenaftrek en de startersaftrek gelden voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet.1 Aan het urencriterium is voldaan als gedurende een kalenderjaar ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor een onderneming worden besteed.2 De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat belanghebbende in 2016 aan het urencriterium heeft voldaan. Het is dan aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat hij daar wel aan heeft voldaan. Dat is belanghebbende niet gelukt. Belanghebbende heeft weliswaar de stelling ingenomen dat hij ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor de v.o.f. heeft besteed, maar hij heeft dat niet met concrete gegevens onderbouwd. Er bestaat daarom voor 2016 geen recht op de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek.
7.6.
De rechtbank komt reeds op basis van een normale bewijslastverdeling tot de conclusie dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. De vraag of de inhoudelijke gebreken zodanig zijn dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard behoeft daarom geen behandeling meer. Het beroep met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en daarmee ook het beroep tegen de herziening van het verlies voor 2016 is ongegrond.
(…)
7.7.
Aangezien de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 niet te hoog is vastgesteld, betekent dit dat ook het bijdrage-inkomen voor de navorderingsaanslag Zvw 2016 en de belastingrentebeschikkingen bij de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2016 niet te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag Zvw 2016 en de belastingrentebeschikkingen ook geen zelfstandige gronden aangevoerd. De beroepen met betrekking tot de navorderingsaanslag Zvw 2016 en de belastingrentebeschikkingen zijn daarom ook ongegrond.”.
4.7.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof maakt deze beslissing tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd, die tot een ander oordeel leiden. Daarom handhaaft het hof de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2016 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen.
Aanslagen IB/PVV en Zvw 2017
Vraag b: hoogte van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017
4.8.
De inspecteur is bij de vaststelling van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 afgeweken van de ingediende aangifte IB/PVV 2017. In afwijking van de aangifte heeft de inspecteur in aanmerking genomen (i) inkomen ten bedrage van € 138.448 in verband met de productie en verkoop van amfetamine, (ii) inkomen ten bedrage van € 72.755 dat uit onbekende bron moet zijn verdiend om de op 13 december 2017 in de loods aangetroffen goederen aan te schaffen en (iii) inkomen ten bedrage van € 30.000 dat voortvloeit uit de vermogensvergelijking. De navorderingsaanslag IB/PVV 2017 is aldus opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 241.203. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag IB/PVV 2017 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 203.651, omdat kosten ten bedrage van € 37.552 in mindering zijn gebracht op het inkomen in verband met de productie en verkoop van amfetamine (zie i hiervoor) omdat belanghebbende op dat moment nog niet onherroepelijk was veroordeeld. De rechtbank heeft de aanslag (verder) verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 192.351, omdat deze het inkomen ten bedrage van € 30.000 dat voortvloeit uit de vermogensvergelijking (zie iii hiervoor) heeft geëlimineerd en de inspecteur zich terecht heeft beroepen op interne compensatie omdat belanghebbende inkomen ten bedrage van € 18.700 moet hebben verdiend om de aangetroffen hennep(stekken) aan te schaffen.
4.9.
Belanghebbende betwist primair, net als bij de rechtbank, dat hij betrokkenheid heeft bij de productie en verkoop van amfetamine en bij de aangetroffen goederen, inclusief hennep(stekken) en de teelt ervan. Verder stelt belanghebbende subsidiair, ook net als bij de rechtbank, dat het vermeende inkomen moet worden aangemerkt als winst uit onderneming en niet als resultaat uit overige werkzaamheden en dat hij recht heeft op de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek.
4.10.
De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan.
4.11.
De rechtbank heeft ten aanzien van de vraag of belanghebbende de vereiste aangifte IB/PVV 2017 heeft gedaan het volgende overwogen:
“8.1. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.
8.2.
De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte voor het jaar 2017 heeft gedaan. De inspecteur voert daartoe aan dat belanghebbende een bedrag van € 203.651 aan inkomsten heeft genoten die hij niet heeft aangegeven in de aangifte IB/PVV 2017. Het bedrag van € 203.651 bestaat volgens de inspecteur uit een resultaat van € 100.8967 uit de productie en verkoop van amfetamine, een inkomen van € 72.755 uit onbekende bron dat moet zijn verdiend om de overige goederen tijdens de doorzoeking aangetroffen in de loods aan te kunnen schaffen en overige inkomsten uit een onbekende bron van € 30.000. Ter onderbouwing van de opbrengst uit de productie en verkoop van amfetamine en het inkomen in verband met de overige goederen verwijst de inspecteur (onder meer) naar de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek. Ter onderbouwing van de overige inkomsten uit onbekende bron verwijst de inspecteur naar de vermogensvergelijking.
8.3.
Belanghebbende voert primair aan dat hij niet betrokken was bij de productie en verkoop van amfetamine en de in de loods aangetroffen goederen. Als voor de beoordeling of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan wordt uitgegaan van de juistheid van dat standpunt en de inkomsten en uitgaven die volgens de inspecteur afkomstig zijn uit de productie en verkoop van amfetamine en de inkomsten en uitgaven die volgens de inspecteur verband houden met de aanschaf van de overige goederen in de vermogensvergelijking buiten beschouwing worden gelaten, dan volgt uit de vermogensvergelijking dat in ieder geval sprake is van een negatief netto privé van € 55.876. Dat heeft de gemachtigde ter zitting ook bevestigd. Alleen dat bedrag is al zodanig dat het zou kunnen leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast.
8.4.
De rechtbank overweegt - onder verwijzing naar haar motivering onder 7.3. - dat een vermogensvergelijking een geschikte methode kan zijn om aannemelijk te maken dat er niet-aangegeven inkomen is. De vermogensvergelijking van de inspecteur is - zonder de inkomsten en kosten verband houden met de amfetamine en de aanschaf van de overige goederen - naar het oordeel van de rechtbank adequaat. Aan de in de vermogensvergelijking opgenomen bedragen liggen namelijk concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag en belanghebbende heeft de juistheid van deze gegevens niet betwist. Gelet op het bedrag aan negatief netto privé dat resulteert uit de (aangepaste) vermogensvergelijking, de stelling van belanghebbende dat eventuele extra inkomsten door hem zijn verdiend en gelet op de omstandigheid dat belanghebbende voor het jaar 2017 een nihilaangifte heeft ingediend, kan alleen al op basis van de vermogensvergelijking en het daaruit resulterende negatief netto privé worden geconcludeerd dat belanghebbende in 2017 aanzienlijke inkomsten heeft genoten die hij niet heeft aangegeven. Voorgaande betekent dat ook als belanghebbende wordt gevolgd in zijn primaire standpunt, de inspecteur nog steeds aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende aanzienlijke inkomsten heeft genoten die hij niet heeft aangegeven.
8.5.
Het niet aangeven van inkomsten van (tenminste) € 55.876 heeft ertoe geleid dat de volgens de aangifte IB/PVV 2017 verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank acht verder aannemelijk - gelet op in het bijzonder de hoge uitgaven van belanghebbende in 2017 en de omstandigheid dat belanghebbende wist dat hij inkomen moet aangeven - dat hij ten tijde van het doen van de aangifte IB/PVV 2017 zich ervan bewust was dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, doordat hij zijn inkomen niet in zijn aangifte heeft verantwoord. Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard. Dat geldt voor zowel de aanslag IB/PVV 2017 als de aanslag Zvw 2017.
7€ 138.448 verminderd met kosten van € 37.552.”.
4.12.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof maakt deze beslissing tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd. Het hof neemt verder in aanmerking dat de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende tegen het in 2.13 bedoelde arrest van de strafkamer van het hof heeft verworpen. [7] Weliswaar heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van het hof verklaard dat hij er op dat moment niets over kon zeggen en ook onbekend te zijn met het arrest van de Hoge Raad, maar omdat in dit arrest is vermeld dat het is gewezen “op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ’sHertogenbosch van 27 maart 2023, nummer 20-000435-21 ” is er geen andere gevolgtrekking mogelijk dan dat dit het in 2.14 bedoelde cassatieberoep van belanghebbende betreft. Dat betekent dat belanghebbende onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld (zie 2.12 tot en met 2.14). Het hof ziet geen reden om in afwijking van de strafrechtelijke veroordeling geen betrokkenheid bij de productie en verkoop van amfetamine en bij de aangetroffen goederen, inclusief hennep(stekken) aan te nemen.
4.13.
Gelet op dat wat in 4.11 en 4.12 is overwogen moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de berekening van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van deze aanslagen en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat belanghebbende in staat is opening van zaken te geven. Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van het bedrag van de aanslagen redelijk en dus niet willekeurig is. Waar het op aankomt is dat de inspecteur de hoogte van zijn schatting zodanig moet onderbouwen met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.
4.14.
De rechtbank heeft ten aanzien van de redelijkheid van de schatting van het inkomen ten bedrage van € 138.448 in verband met de productie en verkoop van amfetamine (zie i in 4.8) en het inkomen ten bedrage van € 72.755 dat uit onbekende bron moet zijn verdiend om de op 13 december 2017 in de loods aangetroffen goederen aan te schaffen (zie ii in 4.8) het volgende overwogen:
“8.7.1. De inspecteur is bij zijn schatting ervan uitgegaan dat belanghebbende betrokken is geweest bij de productie en verkoop van amfetamine en dat belanghebbende inkomen moet hebben verdiend om de overige goederen aan te kunnen schaffen. Gelet op de stukken van het geding, in het bijzonder de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek, zijn er aanknopingspunten dat belanghebbende betrokken geweest bij in ieder geval de verkoop van amfetamine en de aanschaf van de overige goederen. De rechtbank acht het uitgangspunt dat de verkoop van amfetamine tot positieve resultaten heeft geleid ook niet onredelijk. De inspecteur heeft de schatting van het inkomen uit de verkoop van amfetamine en het inkomen dat moet zijn verdiend om de overige goederen aan te kunnen schaffen gebaseerd op de in het controlerapport opgenomen schatting van de (financiële) opbrengsten van de productie en verkoop van amfetaminepasta, die weer is gebaseerd op gegevens van de Dienst Landelijke Recherche team Expertise en Wetenschap, en op de waardering door de politie van de overige goederen op basis van de marktwaarde van die goederen. De rechtbank acht de schatting van de inspecteur op deze punten dan ook niet onredelijk en willekeurig. De omstandigheid dat belanghebbende niet beschikt over het volledige rapport van de Dienst Landelijke Recherche doet daar niet aan af.”.
4.15.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing gegeven. Het hof maakt deze beslissing tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd, die tot een ander oordeel leiden. Het hof merkt nog op dat de schatting van de in 4.14 genoemde inkomsten eerder te laag dan te hoog is. De inspecteur heeft immers rekening gehouden met aftrekbare kosten omdat belanghebbende ten tijde van het doen van uitspraak op bezwaar nog niet onherroepelijk was veroordeeld (zie 4.8). Het hof constateert dat belanghebbende inmiddels bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld (zie 4.12), zodat de kosten ten onrechte in aftrek zijn toegelaten.
4.16.
De rechtbank heeft het inkomen ten bedrage van € 30.000 dat voortvloeit uit de vermogensvergelijking (zie iii in 4.8) geëlimineerd. Voor dat geval heeft de inspecteur in beroep een beroep gedaan op interne compensatie. De rechtbank heeft het beroep op interne compensatie gehonoreerd en een inkomsten van € 18.700 uit onbekende bron in aanmerking genomen, omdat belanghebbende de aanschaf van de hennep(stekken) en de teelt daarvan heeft moeten kunnen bekostigen. [8] Belanghebbende heeft betrokkenheid bij de aangetroffen hennep(stekken) en de teelt ervan betwist. Maar omdat belanghebbende onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld (zie 4.12), ziet het hof geen enkele reden om het inkomen van € 18.700 niet in aanmerking te nemen. In de loods zijn op 13 december 2017 23,7 kilo hennep en 2772 hennepstekken aangetroffen (zie 2.9). De inspecteur heeft de hiermee behaalde inkomsten voorzichtig geschat, omdat hij alleen de kosten voor de aanschaf van de hennepstekken en variabele kosten per plant in aanmerking heeft genomen. Het hof is van oordeel dat de schatting van het met de hennep gepaard gaande inkomen redelijk en niet willekeurig is.
4.17.
Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur voldoende aanknopingspunten verschaft waaruit is af te leiden dat zijn berekeningen van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017, na vermindering door de rechtbank, redelijk en dus niet willekeurig zijn. Belanghebbende heeft in hoger beroep een alternatieve berekening van de schatting van het inkomen gepresenteerd. Wat er ook zij van die berekening, deze leidt niet tot het oordeel dat de schatting van de inspecteur onredelijk of willekeurig is. De inspecteur mocht de schatting doen zoals hij heeft gedaan.
4.18.
Op belanghebbende rust de last te doen blijken - dat willen zeggen overtuigend aantonen - dat dit bedrag aan geschat inkomen onjuist is. Belanghebbende heeft daartoe, net als in beroep, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat:
 de goederen die zijn aangetroffen in de loods niet (mede) aan belanghebbende toebehoren. Belanghebbende wijst erop dat de loods was onderverhuurd aan de heer [naam] ;
 uit niets blijkt dat belanghebbende betrokken zou zijn geweest bij de productie van amfetamine. Belanghebbende wijst erop dat er in de loods niets is aangetroffen waaruit blijkt dat ook amfetamine is geproduceerd;
 de inspecteur is uitgegaan van een te hoge (markt)waarde van de overige goederen. Belanghebbende wijst erop dat als hij deze goederen al heeft gekocht, deze - mede gelet op de grote hoeveelheid ervan - niet bestemd waren voor privégebruik maar voor de handel. Volgens belanghebbende moet daarom worden uitgegaan van (groot)handelsprijzen, die op maximaal 50% liggen van de door de inspecteur gehanteerde marktwaarde;
 sprake is van ondernemerschap ter zake van de handel waartoe de overige goederen behoorden, zodat belanghebbende recht heeft op zelfstandigenaftrek, startersaftrek en MKB-winstvrijstelling;
 de inspecteur ten onrechte geen rekening ermee heeft gehouden dat de overige goederen en de hennep(stekken) in beslag zijn genomen en zijn vernietigd, zonder dat daar een vergoeding tegenover heeft gestaan. Belanghebbende stelt dat sprake is van een aftrekbaar vermogensverlies;
 slechts de helft van de geschatte opbrengsten uit de gestelde productie en verkoop van amfetamine en van de geschatte inkomsten die moeten zijn verdiend om de overige goederen aan te schaffen aan belanghebbende kan worden toegerekend, omdat volgens de inspecteur ook zijn zoon betrokken is geweest bij de activiteiten;
 de (vermeende) inkomsten en uitgaven die volgens de inspecteur verband houden met de productie en verkoop van amfetamine en de aanschaf van de overige goederen al zijn meegenomen in de vermogensvergelijking, zodat een dubbeltelling ontstaat.
4.19.
De rechtbank heeft in dat kader het volgende overwogen:
“8.9.1. Belanghebbende heeft, door enkel te wijzen om de omstandigheid dat [naam] de loods onderhuurde, naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend aangetoond dat alle goederen die in de loods zijn aangetroffen toebehoorden aan [naam] . [naam] heeft namelijk - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij op verzoek van belanghebbende en tegen betaling van € 1.000 een valse huurovereenkomst heeft getekend voor de loods, die pas na de doorzoeking van de loods is opgesteld en ondertekend.
8.9.2.
De schatting van het inkomen dat volgens de inspecteur afkomstig is uit de productie en verkoop van amfetamine berust op een berekening van de verkoopwaarde van de amfetamine aan de hand van de hoeveelheid aangetroffen spullen in de loods. De rechtbank overweegt dat er (…) in ieder geval aanknopingspunten zijn dat belanghebbende betrokken is geweest bij de verkoop van amfetamine. Belanghebbende heeft het tegendeel niet doen blijken en tevens niet overtuigend aangetoond dat de hoeveelheid verkochte amfetamine waarvan de inspecteur uitgaat niet overeenstemt met de werkelijkheid. Belanghebbende heeft ook niet doen blijken dat de inspecteur een onjuiste berekening heeft gemaakt van de verkoopwaarde van de amfetamine aan de hand van de hoeveelheid aangetroffen spullen.
8.9.3.
De rechtbank is het met belanghebbende eens dat de overige goederen en de hennep(stekken) die in de loods zijn aangetroffen - mede gelet op de grote hoeveelheid ervan - over het algemeen niet voor privédoeleinden worden aangeschaft. Het zou dus kunnen dat de goederen behoorden tot een handelsvoorraad. Dat wil echter nog niet zeggen dat de goederen ook daadwerkelijk tegen (groot)handelsprijzen zijn ingekocht, waardoor het benodigde inkomen om de goederen aan te schaffen ook lager kan zijn geweest, of dat sprake is van ondernemerschap. Het ligt op de weg van belanghebbende om overtuigend aan te tonen dat het door de inspecteur geschatte inkomen in verband met de aanschaf van de overige goederen te hoog is vastgesteld, in dit geval bijvoorbeeld door aan de hand van concrete gegevens aan te tonen dat de inkoopprijs van de goederen lager lag dan de door de inspecteur gehanteerde (inkoop)waarde. Daarin is belanghebbende niet geslaagd. Belanghebbende is er ook niet in geslaagd om te doen blijken dat de goederen ten behoeve van de handel zijn aangeschaft, om die reden verband houden met een bron van inkomen en er sprake is van ondernemerschap of resultaat uit overige werkzaamheden. Dat het een redelijke mogelijkheid is, is daarvoor onvoldoende. Belanghebbende heeft niets overgelegd waaruit volgt dat hij daadwerkelijk handelde met de goederen. Reeds om die reden komt belanghebbende ter zake van de gestelde handel niet in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten en kan er ook geen vermogens- of afwaarderingsverlies in aanmerking worden genomen vanwege het verlies van de overige goederen en de hennep(stekken).
8.9.4.
Ook de omstandigheid dat de zoon van belanghebbende (mogelijk) betrokken was bij de verkoop van amfetamine en de verkoop van de overige goederen, rechtvaardigt niet de conclusie dat minder dan 100% van het geschatte inkomen bij belanghebbende in aanmerking moet worden genomen. Belanghebbende heeft niet inzichtelijk gemaakt wat de precieze onderlinge verhouding van de betrokkenen was tot de opbrengsten uit de verkoop van de amfetamine, terwijl de rechtbank ervan uitgaat dat belanghebbende wel in staat is hierover opening van zaken te geven.8 Belanghebbende heeft dat tot op heden niet gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur ter behoud van rechten bij beide betrokkenen het inkomen in aanmerking mocht nemen en verwerpt dan ook deze stelling van belanghebbende.
8Vgl. Hoge Raad 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2681.”.
4.20.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof maakt deze beslissing tot de zijne. In hoger beroep heeft belanghebbende nog gesteld dat hij strafrechtelijk alleen is veroordeeld wegens voorbereidingshandelingen en dat hij niet is vervolgd wegens productie en/of handel in amfetaminepasta. Naar het hof belanghebbende begrijpt, mag daarom volgens belanghebbende geen inkomen in verband met productie en/of handel in amfetaminepasta in aanmerking worden genomen. De procedures over de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 hebben onmiskenbaar een band met de strafzaak. De belastingrechter is echter niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde (onherroepelijk geworden) strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter dient zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil te vormen. Wel dient de belastingrechter de Melo Tadeu-jurisprudentie [9] in acht te nemen. Die jurisprudentie houdt kortgezegd in dat de belastingrechter - in het geval er een verband is met een strafzaak - met zijn oordeel en zijn optreden, de motivering van zijn beslissing of de door hem gebruikte bewoordingen geen twijfel doet ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van hetgeen de verdachte in zijn strafzaak werd verweten. Belanghebbende is niet vrijgesproken (zie 4.12). Daarom kan een oordeel van het hof over feiten die ook in de strafzaak aan de orde waren in zo’n geval geen schending opleveren van het vermoeden van onschuld. Tot slot merkt het hof op dat belanghebbende ook in hoger beroep desgevraagd geen openheid heeft gegeven over de onderlinge verdeling tussen hem en zijn zoon.
4.21.
Gelet op het vorenstaande heeft belanghebbende niet doen blijken dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 te hoog zijn. De rechtbank heeft derhalve terecht de aanslag IB/PVV 2017 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 203.651 en de daarop betrekking hebbende rentebeschikking evenredig verminderd. De rechtbank heeft terecht de aanslag Zvw 2017 gehandhaafd.
Vraag c: boete 2017
4.22.
Aan belanghebbende is bij de aanslag IB/PVV 2017 een vergrijpboete van € 58.531 opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting. De inspecteur heeft daaraan ten grondslag gelegd dat belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk een onvolledige aangifte IB/PVV 2017 heeft gedaan. [10]
4.23.
De rechtbank heeft een boete van € 30.000 passend en geboden geacht. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat belanghebbende inkomen uit onbekende bron moet hebben genoten om de op 13 december 2017 in de loods aangetroffen goederen aan te schaffen (zie ii in 4.8) en vanwege een negatief netto privé van € 55.876 en dat belanghebbende deze inkomsten opzettelijk niet heeft aangegeven. De rechtbank heeft overwogen dat de inspecteur niet is geslaagd de boete voor het overige overtuigend aan te tonen. De rechtbank heeft de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn met 20 procent gematigd tot € 24.000. De inspecteur heeft hiertegen geen hoger beroep of incidenteel hoger beroep aangetekend.
4.24.
Belanghebbende stelt primair dat de boete ten onrechte is opgelegd en subsidiair dat de boetegrondslag te hoog is.
4.25.
Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit is geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. [11]
4.26.
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“8.14. De rechtbank acht (…) overtuigend aangetoond - met name gelet op de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek en het boekenonderzoek - dat belanghebbende in 2017 inkomsten heeft genoten uit onbekende bron om in elk geval een deel van de overige goederen aan te kunnen schaffen.
De rechtbank acht verder aan de hand van de vermogensvergelijking, waaraan concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag liggen, ook overtuigend aangetoond dat belanghebbende in 2017 - rekening houdend met de inkomsten en kosten verband houdend met de aanschaf van de goederen, maar niet die met de amfetamine - een negatief netto privé had van € 55.876 (…) en dus inkomsten uit onbekende bron heeft genoten die een verklaring vormen voor het ter beschikking hebben van gelden ter hoogte van het negatief netto privé. Belanghebbende heeft deze inkomsten niet aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende dat bewust heeft gedaan, mogelijk mede vanwege het illegale karakter van de activiteiten waaruit de inkomsten zijn genoten. Door deze inkomsten niet aan te geven heeft belanghebbende aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat een onvolledige aangifte werd gedaan. Het is dan aan zijn voorwaardelijke opzet te wijten dat er een onvolledige aangifte is gedaan.
8.15.
Het voorgaande betekent dat de boetegrondslag moet worden verminderd. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 30.000 passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden dat de aanslag weliswaar is vastgesteld met omkering en verzwaring van de bewijslast, maar de (verminderde) boetegrondslag is gebaseerd op concrete en verifieerbare gegevens.
8.16.
De duur van de procedure vormt voor de rechtbank nog wel aanleiding om de boete verder te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 20 januari 2020 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het controlerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 1 februari 2024. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) vier jaar en één maand verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met twee jaar en één maand.9 De boete wordt daarom verder (…) gematigd met 20%10 tot € 24.000.
9Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.”.
4.27.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof maakt deze beslissing tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd, die tot een ander oordeel leiden. Alles overziend, en mede in aanmerking nemend dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering en verzwaring van de bewijslast, acht ook het hof een boete van € 30.000 passend en geboden en constateert dat de rechtbank de boete terecht met 20 procent heeft gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof constateert dat de redelijke termijn ook in hoger beroep is overschreden. Het hof volstaat met de constatering daarvan, omdat de rechtbank de boete al maximaal heeft gematigd met 20 procent en het in hoger beroep gaat om een geringe overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft daarom de boete terecht verminderd tot € 24.000.
Aanslagen IB/PVV en Zvw 2018
Vraag b: hoogte van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018
4.28.
De inspecteur is bij de vaststelling van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 afgeweken van de ingediende aangifte IB/PVV 2018, omdat volgens hem uit de vermogensvergelijking volgt dat belanghebbende méér inkomen heeft genoten dan in de aangifte IB/PVV 2018 is aangegeven.
4.29.
Belanghebbende stelt, net als bij de rechtbank, primair dat hij geen inkomen heeft genoten en subsidiair dat het vermeende inkomen moet worden aangemerkt als winst uit onderneming en niet als resultaat uit overige werkzaamheden en dat hij recht heeft op de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek.
4.30.
De rechtbank heeft in dat kader het volgende overwogen:
“9.5. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur aannemelijk dient te maken dat reden bestaat voor correctie van het belastbaar inkomen uit werk en woning, voordat sprake kan zijn van omkering en verzwaring van de bewijslast. De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2018 een bedrag van € 15.000 aan inkomsten moet hebben genoten. Hiervoor verwijst de inspecteur naar de door hem opgestelde vermogensvergelijking.
9.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht een inkomenscorrectie van € 15.000 aangebracht. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Aan de in de vermogensvergelijking opgenomen bedragen liggen concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag. Deze bedragen vormen het negatieve saldo van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en zijn echtgenote en laten zien dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangifte IB/PVV 2018 heeft aangegeven. Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vermogensvergelijking ook niet betwist. Hij heeft verder ook geen verklaring gegeven voor het negatieve saldo. Aangezien belanghebbende op zitting heeft verklaard dat indien enig inkomen zou worden gecorrigeerd, dit inkomen door hem is genoten en niet door zijn echtgenote, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende in 2018 inkomsten heeft genoten tot tenminste € 15.000 die hij in zijn aangifte IB/PVV 2018 niet heeft aangegeven.
9.7.
Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou volgen dat de inkomsten zijn genoten als ondernemer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op de zelfstandigenaftrek en toepassing van de MKB-winst-vrijstelling. De inspecteur heeft de inkomsten terecht aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.
9.8.
De rechtbank komt reeds op basis van een normale bewijslastverdeling tot de conclusie dat de aanslag IB/PVV 2018 terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.
(…)
9.9.
Aangezien de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de aanslag IB/PVV 2018 niet te hoog is vastgesteld, betekent dit dat ook het bijdrage-inkomen voor de aanslag Zvw 2018 en de belastingrentebeschikkingen niet te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de aanslag Zvw 2018 en de belastingrentebeschikkingen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het beroep met betrekking tot de aanslag Zvw 2018 en de belastingrente is daarom ook ongegrond.”.
4.31.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof maakt deze beslissing tot de zijne. Daarbij merkt het hof nog op dat de inspecteur met het bovenstaande eveneens aannemelijk heeft gemaakt dat de vereiste aangifte niet is gedaan, met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast komt het hof tot een zelfde uitkomst. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd, die tot een ander oordeel leiden. Het hof handhaaft daarom de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen.
Vraag c: boete 2018
4.32.
Aan belanghebbende is bij de aanslag IB/PVV 2018 een vergrijpboete van € 748 opgelegd, zijnde 50% van de verschuldigde belasting. De inspecteur heeft daaraan ten grondslag gelegd dat belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk een onjuiste aangifte IB/PVV 2018 heeft gedaan. [12] De boete is bij uitspraak op bezwaar en door de rechtbank gehandhaafd.
4.33.
Belanghebbende stelt dat de boete ten onrechte is opgelegd.
4.34.
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“9.12. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De inspecteur heeft - in het bijzonder door te wijzen op de vermogensvergelijking - overtuigend aangetoond dat belanghebbende in 2018 ten minste een bedrag van € 15.000 meer aan inkomsten moet hebben genoten dan hij heeft aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur ook overtuigend aangetoond dat belanghebbende dat bedrag bewust niet heeft aangegeven. Belanghebbende heeft namelijk een nihilaangifte gedaan, terwijl hij wist dat hij inkomen moest aangeven en het niet aangegeven inkomen is van een dergelijke omvang dat die inkomsten belanghebbende niet kunnen zijn ontgaan bij het indienen van de aangifte. Door het inkomen niet in de aangifte IB/PVV 2018 op te nemen, heeft belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangifte onjuist zou zijn. De inspecteur heeft de vergrijpboete bij de aanslag IB/PVV 2018 dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.
9.13.
De rechtbank acht de boete in dit geval passend en geboden. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die aanleiding geven tot matiging van de boete.”.
4.35.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof maakt deze beslissing tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd, die tot een ander oordeel leiden. Het hof acht een boete van € 748 passend en geboden. Het hof constateert dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Het hof volstaat met de constatering daarvan, omdat geen vermindering wordt toegepast indien het gaat om een boete die minder beloopt dan € 1000. [13]
Tussenconclusie
4.36.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.37.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.38.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, M. Ferrier en J. Wessels, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden..
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Proces-verbaalnummer 2017239272 , opgemaakt en ondertekend op 15 mei 2019.
2.Rapportnummer RAP.FIN19202/216, ondertekend op 31 oktober 2019.
3.Dit is een stelpost.
4.Samengesteld uit: contante bankopnamen (€ 50), verkoop auto’s (€ 24.078), privé kasmutaties ondernemingen (€ 4.700), contante inkomsten uit [handelsnaam] (€ 42.454 en verbouwing credit nota (€ 71.379).
5.Aangetroffen op 11 maart 2019 tijdens de doorzoekingen in de woning van belanghebbende.
6.Samengesteld uit: bankstortingen (€ 123.256,27), vakanties Spanje, Mexico en Egypte (€ 10.507,09), luxe goederen (€ 9.567,39), onroerend goed (€ 9.941,62), voertuigen (€ 77.863), huur van de loods aan de [adres 3] in [plaats] (€ 2.000) en [A] (€ 13,95).
7.Hoge Raad 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:852.
8.Overweging 8.7.3.
9.Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140.
10.Artikel 67d AWR.
11.Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
12.Artikel 67d AWR.
13.Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191.