3.1.20.Op voormelde brief heeft [--] gereageerd bij brief van haar advocaat van 24 januari 2017. Deze brief luidt onder andere als volgt.
“Om met de deur in huis te vallen: de inhoud van uw brief kwam onverwacht, lag niet in de lijn der verwachtingen gezien de recente contacten met de provincie en is voor cliënte ook niet acceptabel.
Basis vormt de grondruilovereenkomst neergelegd in de brief van GS van 12 mei 2011. Relevant is nummer 3 dat ik, voor zover ten deze aan de orde, hier citeer: "De provincie spant zich in om voor de door [--] te verwerven gronden een ontgrondingsvergunning te verstrekken (incluis Provinciaal Inpassingsplan)". Een en ander is uitgewerkt in een door partijen ondertekende overeenkomst. De in de overeenkomst omschreven grondruil heeft inmiddels plaatsgevonden.
Vertrouwend op nakoming van de afspraken door de provincie trekt [--] haar beroep tegen het besluit tot vaststelling van het PIP Buitenring Parkstad Limburg vervolgens in.
Uit de brief van gedeputeerde [persoon A] aan mij van 8 augustus 2013 (kenmerk 2013/14578) citeer ik: "Uit het feit dat GS een inspanningsverplichting zijn aangegaan, mag u wel afleiden dat zij een voorstel aan PS zullen doen dat haalbaar wordt geacht.
Op 24 oktober 2013 heeft weer overleg plaatsgevonden. Daarvan is een memo opgemaakt, gedateerd 4 november 2013. In dit memo wordt melding gemaakt van bestuurlijk overleg tussen provincie en gemeente [A] met als resultaat dat de gemeente [A] haar medewerking toezegt maar wel stelt dat er geen besluiten worden genomen voordat zekerheid is over de verdiepte aanleg van de BPL bij [C] . Die zekerheid is er inmiddels.
In de gehele aanloopperiode is rekening gehouden met mogelijke oppositie van omwonenden. Bijvoorbeeld in het memo van 4 november 2013 wordt daar aandacht aan besteed. Dat is echter voor geen der betrokkenen nieuw en komt bij welhaast elk ontgrondingsplan aan de orde.
Bezien we de Beleidsnota Ontgrondingen.
Als een der kernvoorwaarden om een ontgronding te kunnen vergunnen is dat er sprake dient te zijn van een meervoudige doelstelling. Ontgronding is dan een instrument om andere doeleinden (bijvoorbeeld natuurontwikkeling en recreatie) te realiseren, onder andere door het voorschrijven van specifieke inrichtingsmaatregelen die gepaard gaan met de ontgronding. Op pagina 15 van de Beleidsnota Ontgrondingen wordt gesteld dat er per saldo sprake dient te zijn van een meerwaarde. Ook wordt in dat beleid (pagina 14) als wenselijk uitgangspunt genoemd dat het vanuit landschappelijk en aardkundige optiek gewenst is om een project, waarvan een ontgronding deel uitmaakt, zo mogelijk te situeren "In gebieden waar de landschappelijke en aardkundige kwaliteit laag is omdat het project dan een bijdrage kan leveren aan de verbetering van de landschappelijke kwaliteit". Niet onbelangrijk is daarbij de opmerking op diezelfde pagina dat de winning van grondstoffen het realiseren van een project financieel mogelijk kan maken. Bezien we tevens de Gebiedsvisie [C] van BRO de dato 28 september 2015. In die visie wordt ook rekening gehouden met een potentiële ontgronding ten westen van de oude ontgrondingslocatie. Voor de nieuwe ontgrondingslocatie worden met name kansen gezien "op het gebied van herinvulling, herinrichting, toegankelijkheid en verbindingen. Hierdoor kan een meerwaarde worden gecreëerd voor het landschap". Onder andere kan de ontgrondingslocatie (zie pagina 29) ingezet worden ten behoeve van het herstel van het cultuurlandschap en de zicht- en voelbaarheid van de Buitenring verminderen. De toegevoegde waarde na de ontgronding kan worden gerealiseerd door de belevings- en gebruikswaarden van het gebied te verhogen doordat het gebied beter toegankelijk wordt.
U wekt in uw brief van 22 november jongstleden de indruk voldaan te hebben aan de contractueel overeengekomen inspanningsverplichting. U beroept zich op de stelling dat het verlenen van een ontgrondingsvergunning niet mogelijk is als het bestemmingsplan niet gewijzigd wordt. Die stelling is onjuist. Er is in casu nu juist voorzien in de wijziging door middel van een Provinciaal Inpassingsplan als grondlegger voor de ontgrondingsvergunning.
U wekt eveneens de suggestie aan uw inspanningsverplichting te hebben voldaan nu de actuele tegenwerking van de gemeente een blokkade zou vormen. Ook dat is onjuist. Die tegenwerking van diverse omwonenden was, zoals ik reeds eerder vermeldde, te verwachten maar vormde, volgens de Provincie, op voorhand geen aanleiding om af te zien van medewerking. Zo anticipeert de Provincie in haar Beleidsnota Ontgrondingen zelf al op opkomende bezwaren in die zin dat het niet zo zal zijn dat door het indienen van bezwaar een project automatisch wordt afgewezen, zie pagina 15 van het Beleid.
De contractueel overeengekomen inspanningsverplichting vereist van uw zijde veel meer inspanning dan een aantal overlegmomenten, informatieavonden en het vervolgens onmiddellijk afhaken als de te verwachten oppositie de kop opsteekt. Ik verwijs ter onderbouwing naar een recent arrest van de Hoge Raad van 18 november 2016 (ECLI:NL:PHR:2016.933).
Cliënte wenst op korte termijn de onderhandelingen met u voort te zetten over de
daadwerkelijke invulling van uw inspanningsverplichting om te komen tot het in procedure brengen van een Provinciaal Inpassingsplan en daarnaast het in procedure brengen van een vergunningaanvraag Ontgrondingenwet. Mocht blijken dat u daartoe niet bereid bent, dan behoudt cliënte zich alle rechten voor.”
3.1.31.Het sonderend stuk luidt onder andere als volgt.
1. Onderwerp
Fase 1 PIP ontgronding [C]
2. Inleiding/aanleiding incl. beoogd resultaat
In 2011 hebben Gedeputeerde Staten gronden in [C] (gemeente [D] , destijds
gemeente [A] ) verworven voor de realisatie van de Buitenring Parkstad Limburg (BPL). De
gronden zijn verworven via een grondruilovereenkomst van 12 mei 2011. Via deze
grondruilovereenkomst is de provincie een inspanningsverplichting jegens de firma [--]
aangegaan om een ontgronding mogelijk te maken voor de gronden die de firma [--] via de grondruil heeft verkregen. Binnen die inspanningsverplichting worden de termen Provinciaal Inpassingsplan (PIP) en ontgrondingsvergunning vernoemd, en is aangegeven dat de provincie de kosten voor de ontwikkeling van het PIP en daarmee gepaard gaande procedures voor haar rekening neemt. De kosten voor de aanvraag van de ontgrondingsvergunning en eventuele planschade en/of nadeelcompensatie zijn voor rekening van [--] . Voor zover het - ondanks de inspanningen van de provincie - niet mogelijk zou zijn een ontgrondingsvergunning te verlenen, betaalt de Provincie aan [--] een vergoeding van € 250.000,-.
In 2016 hebben GS besloten om aan de firma [--] voor te stellen om de overeenkomst te
ontbinden en daarmee inspanningen voor het PIP en de ontgrondingsvergunning te beëindigen, gezien er naar hun mening onvoldoende draagvlak bij omwonenden en gemeente verkregen zou kunnen worden, dit mede na een in de gemeenteraad van [A] aangenomen motie tegen de ontgronding. [--] heeft echter in 2017 de provincie onverkort aan zijn inspanningsverplichting gehouden. Daarna zijn er zonder resultaat kansen voor alternatieve locaties verkend. Het traject is verschillende keren - in onderling overleg met [--] - on hold gezet vanwege provinciale en gemeentelijke verkiezingen en de herindeling tot de gemeente [D] . In juli 2019 heeft overigens ook de raad van de gemeente [D] een motie tegen de ontgronding aangenomen.
Op 25 augustus 2020 hebben GS besloten om invulling te geven aan de inspanningsverplichting middels het opstellen van een PIP. Omdat de totale kosten van een PIP (inclusief noodzakelijke milieueffectrapportage) circa € 270.000,= zullen bedragen is besloten om het PIP gefaseerd te ontwikkelen waarbij fase 1 bestaat uit een draagvlakonderzoek en een onderzoek naar de stikstofbelasting. Op basis van deze onderzoeken zullen GS besluiten of en op welke wijze er een vervolg aan dit traject wordt gegeven.
In mei 2021 zijn de beide onderzoeksresultaten opgeleverd en openbaar gemaakt.
Op 26 mei 2021 zijn de resultaten van het draagvlakonderzoek en het stikstofonderzoek met de gemeenteraad van [D] besproken. Deze behandeling heeft geen veranderingen ten
aanzien van de visie van de gemeenteraad op de ontgronding opgeleverd. Het is duidelijk dat de gemeenteraad van [D] hun college zal blijven vragen zich in te spannen om in het verdere verloop van het proces de ontgronding tegen te houden en dat naar verwachting ook de gemeenteraad zelf acties in die richting zal ondernemen.
GS hebben - in overleg met [--] - besloten om de resultaten van PIP fase 1 nog in 2021 aan uw Staten voor te leggen voordat zij een besluit over het vervolg zullen nemen. Het beoogd resultaat van deze sondering is om richtinggevende uitspraken over de haalbaarheid van de vaststelling van een PIP voor de ontgronding te krijgen die GS kunnen gebruiken bij het te nemen besluit over het vervolg.
3. Bevoegdheid
Besluitvorming over de vaststelling van een PIP is een bevoegdheid van Provinciale Staten.
Besluitvorming over een ontgrondingsvergunning is een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten.
Het verlenen van een ontgrondingsvergunning is alleen mogelijk als de bestemming de
ontgronding toelaat, het geldende bestemmingsplan staat de ontgronding niet toe. Om
medewerking te kunnen verlenen aan een ontgrondingsvergunning is een wijziging van de
bestemming nodig.
Tegen het besluit over een PIP is beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State mogelijk. Tegen een besluit over de ontgrondingsvergunning is beroep bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State mogelijk.
4. Verzoek aan de Statencommissie de navolgende vragen te beantwoorden
1. Kunt u op basis van de momenteel beschikbare informatie een richtinggevende uitspraak
geven over de vraag of PS al dan niet een PIP voor de ontgronding te [C] zullen
vaststellen, mede in aanmerking genomen de met [--] overeengekomen
inspanningsverplichting?
2. Indien de momenteel beschikbare informatie onvoldoende is om een richtinggevende uitspraak te kunnen geven: dient volgens PS eerst een volledig ontwerp-PIP te worden voorbereid, inclusief alle daartoe benodigde onderzoeken, of kunt u aangeven welke onderzoeken c.q. informatie u nog minimaal noodzakelijk acht om wel een richtinggevende uitspraak te kunnen geven?
5. Risico’s
Onder punt 2 is toegelicht dat de provincie en [--] in de grondruilovereenkomst een
inspanningsverplichting zijn overeengekomen. Kort gezegd dient de provincie zich in te spannen om een PIP vast te stellen en een ontgrondingsvergunning te verlenen.
Indien er geen PIP wordt vastgesteld en (daardoor) geen ontgrondingsvergunning kan worden verleend, om welke reden dan ook, is de provincie op grond van de grondruilovereenkomst een contractuele vergoeding van € 250.000,- aan [--] verschuldigd, ongeacht de door de provincie verrichte inspanningen om tot een PIP en ontgrondingsvergunning te komen.
Voor zover de provincie daarnaast tekort zou schieten in de nakoming van haar
inspanningsverplichting - door daar onvoldoende invulling aan te geven of door haar inspanningen te staken terwijl dat rechtens niet noodzakelijk is - loopt de provincie het risico dat zij aansprakelijk is voor schade die [--] daardoor lijdt. Die schade kan bestaan uit door [--] gemaakte kosten en/of gemiste inkomsten. De omvang van die inkomstenderving wordt door [--] tot op heden begroot op circa € 2 miljoen.
6. Toelichting / kernargumenten/ onderbouwing
Het provinciaal belang van het vaststellen van het PIP is er primair in gelegen dat wij zorgvuldig invulling moeten geven aan de inspanningsverplichting die de provincie ten behoeve van de realisatie van de BPL is aangegaan. Ook het ter beschikking komen van delfstoffen, in dit geval circa 500.000 M3 opvulzand en klei, is een provinciaal belang alhoewel er hiervoor geen provinciale taakstelling is geformuleerd.
GS hebben besloten om als eerste fase binnen het PIP te starten met een onafhankelijk onderzoek naar draagvlak en een onderzoek naar de stikstof belasting. Dit besluit werd ingegeven door de veronderstelling dat hierin de belangrijkste mogelijke belemmeringen voor een positieve besluitvorming over het PIP zouden zijn gelegen. Dat betekent overigens niet dat er vanuit de andere, nog uit te voeren, onderzoeken in het kader van het PIP en de ontgrondingsvergunning geen andere belemmeringen kunnen voortkomen.
De gedetailleerde onderzoeksresultaten treft u als bijlage bij deze nota aan. De resultaten van de onderzoeken worden hieronder kort samengevat.
Als provincie hebben wij als belangrijk uitgangspunt aan het onderzoeksbureau meegegeven dat het onderzoek representatief moet zijn en dat het op een deskundige en volledig onafhankelijke wijze moet worden uitgevoerd. Om die reden is ook veel aandacht besteed aan het betrekken van [--] , gemeenteraad en omwonenden bij de opzet van het onderzoek.
De belangrijkste conclusie van het draagvlakonderzoek is dat het draagvlak onder omwonenden voor de ontgronding van de groeve [B] II zeer gering is. Meer dan 6 op de 10 respondenten is tegen het initiatief. 62% vindt het een zeer slecht (43%) of slecht (19%) initiatief. De mogelijkheden om het draagvlak voor het initiatief te verhogen lijken uitermate beperkt. Het merendeel van de factoren die sterk met gebrek aan draagvlak samenhangen zijn namelijk niet of nauwelijks aan te passen in de uitvoering van de ontgronding. Het onderzoek toont een sterke samenhang tussen respondenten die het als een (zeer) slecht initiatief bestempelen en de meest voorkomende nadelen die door deze groep genoemd worden. De 4 meest genoemde nadelen zijn geluidsoverlast, verkeersoverlast, (fijn)stof en onveilige verkeerssituaties. Het zeer geringe draagvlak valt hoogstwaarschijnlijk ook te verklaren door de beperkte voordelen die omwonenden zien in het initiatief en een gebrek aan vertrouwen in de uitvoering en/of handhaving van nog te maken afspraken.
Belangrijkste conclusie uit het stikstofonderzoek is dat de toename aan stikstofdepositie vanwege de ontgronding mogelijk kwantitatief gemitigeerd kan worden door het wegvallen van de bemesting van het landbouwkundige perceel dat zal worden ontgrond. Daarvoor dient de initiatiefnemer bij het af- en aanvoeren van grond vrijwel uitsluitend een bepaalde route naar de BPL te hanteren die in afwaartse richting van het prioritaire Natura 2000-gebied [G] loopt. Het gebruiken van deze route zal via verplichtingen/voorschriften in het PIP en de ontgrondingsvergunning geborgd moeten worden, zodat het gebruik verplicht en handhaafbaar is.
Vanwege het feit dat intern salderen sinds 1 januari 2020 vergunningsvrij is, is voor de
ontgrondingsactiviteit vanwege stikstof dan geen natuurvergunning nodig. Wel dient de
kanttekening geplaatst te worden dat de saldering van stikstof slechts onder strikte voorwaarden kan plaatsvinden, en dat het onderzoek op de bewijslast voor het voldoen aan die voorwaarden nog tekort schiet.
Er is in het verleden in opdracht van de provincie een ecologisch onderzoek uitgevoerd waaruit is gebleken dat er geen onoverkomelijke problemen voor de in het gebied aanwezige natuurwaarden zijn. Hierbij moet wel aangegeven worden dat het ecologisch onderzoek reeds in 2013 heeft plaatsgevonden, hetgeen betekent dat het onderzoek nog geactualiseerd zal moeten worden.
7. Afweging van alternatieven en motivering gemaakte keuze / toets duurzaamheidparagraaf
Alhoewel het verkrijgen van voldoende draagvlak voor de ontgronding primair een
verantwoordelijkheid is van [--] is heeft de provincie in de periode 2013 -2016 samen met de initiatiefnemer en de gemeente [A] acties uitgevoerd om draagvlak voor de ontgronding te verkrijgen.
Nadat de gemeenteraad van de gemeente [A] in 2016 een motie tegen de ontgronding heeft
aangenomen is de gemeente [A] uit de samenwerking gestapt.
In 2016 hebben GS besloten om aan de firma [--] voor te stellen om de
inspanningsverplichting uit de overeenkomst te ontbinden en daarmee inspanningen voor het PIP en de ontgrondingsvergunning te beëindigen, gezien er naar hun mening onvoldoende draagvlak bij omwonenden en gemeente verkregen zou kunnen worden, dit mede na een in de
gemeenteraad van [A] aangenomen motie tegen de ontgronding. [--] heeft echter in 2017 de provincie onverkort aan haar inspanningsverplichting gehouden.
In de periode daarop volgend heeft de provincie samen met [--] bezien of er alternatieve
locaties zijn waarvoor een ontgrondingsvergunning kan worden verleend. Dat heeft niet tot een (geschikte) alternatieve locatie geleid.
Omdat het aantal vrachtbewegingen door woongebieden een belangrijk argument van
omwonenden tegen de ontgronding was heeft de provincie nog onderzocht of er mogelijkheden zijn om het vervoer door woongebieden te verminderen. Zo is bijvoorbeeld onderzocht of een directe aansluiting op de BPL aangrenzend aan de ontgronding gerealiseerd kan worden. Een dergelijke oplossing bleek, onder meer uit oogpunt van verkeersveiligheid, niet mogelijk. Verder is gebleken dat alternatieve oplossing voor het vrachtverkeer qua kosten niet in verhouding stond tot de verwachte opbrengsten van de ontgronding. Het uitgangspunt is dat het vrachtvervoer zijnde gemiddeld 22 vrachtwagens (44 vrachtbewegingen) per werkdag in de eerste twee jaar van de ontgronding en gemiddeld 36 vrachtwagens (72 vrachtbewegingen) per werkdag in het 3e t/m 7e jaar van de ontgronding, via het bestaande wegennet plaatsvindt. Het huidige uitgangspunt hierbij is,, mede op basis van het stikstofonderzoek, dat het overgrote deel van het vrachtverkeer via de
route [route A] en [route B] zal worden afgewikkeld (totale afstand circa 1,5 Km).
[--] heeft aangegeven bereid te zijn maatregelen te nemen tegen overlast van geluid middels het aanleggen van een geluidswal.
Afweging ten aanzien van Inspanningsverplichting
De provincie is met [--] een inspanningsverplichting overeengekomen. Hiermee heeft de
provincie zich tot [--] verbonden om een zekere mate van inspanning te leveren om tot de voor de ontgronding noodzakelijke bestemming te komen. Dit betekent niet dat de provincie gehouden is een PIP vast te stellen: PS kunnen niet verplicht worden om een bestemming aan gronden te geven die zij niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening achten. PS dienen echter wel bij het al dan niet vaststellen van het PIP alle betrokken belangen af te wegen, waaronder het algemeen belang, het belang van omwonenden en de betrokken gemeente en het belang van [--] en de met [--] overeengekomen inspanningsverplichting. Als PS de planologische medewerking aan het PIP willen onthouden mag dat, maar zij dienen dat wel te motiveren en in die motivering de overeengekomen inspanningsverplichting te betrekken. PS zullen altijd moeten afwegen of de beoogde bestemming past binnen een goede ruimtelijke ordening en het woon- en leefklimaat van omwonenden.
8. Relatie met Programmabegroting - financiële aspecten
BPL
9. Juridische aspecten - deregulering
Inzet van het juridische instrument PIP.
Om een ontgronding mogelijk te maken dient eerst de bestemming hiervoor geschikt gemaakt te worden. Aanpassing van de bestemming is een bevoegdheid van de gemeenteraad via een
wijziging van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat indien sprake is van provinciale belangen, PS, de betrokken gemeenteraad gehoord, voor de betrokken gronden een PIP kunnen vaststellen. Daardoor hebben PS zelf de bevoegdheid een bestemmingsplan te wijzigen door het vaststellen van een PIP.
Bij de besluitvorming over een PIP dienen PS te beoordelen of de bestemmingswijziging past
binnen een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen PS alle betrokken belangen mee te wegen: omgevingsfactoren zoals bodem, geluid, ecologie en luchtkwaliteit, maar ook de belangen van de betrokken gemeente en omwonenden (en het ontbreken van draagvlak) en het belang van [--] , mede in het licht van de overeengekomen inspanningsverplichting. Als gezegd: PS zullen altijd moeten afwegen of de beoogde bestemming past binnen een goede ruimtelijke ordening en het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Het vigerende provinciale beleid (POL2014) geeft aan dat 'Waar provinciale belangen daartoe aanleiding geven zal het instrument van het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) worden ingezet”. Het provinciale belang is er in deze situatie hoofdzakelijk in gelegen dat de verwerving van voormalige groeve in 2011 essentieel was voor de realisatie van de BPL, en de inspanningsverplichting als een effectieve methode werd beschouwd om de gronden te verwerven. Ook het ter beschikking komen van delfstoffen, in dit geval circa 500.000 M3 opvulzand en klei, is een provinciaal belang alhoewel er hiervoor geen provinciale taakstelling is geformuleerd.
Het is aan PS om te besluiten of dit provinciale belang de inzet van dit juridische instrument
voldoende rechtvaardigt.”
3.1.33.Bij brief van 7 december 2021 hebben Gedeputeerde Staten aan [--] bericht en toegelicht, dat vanwege de richtinggevende uitspraak van de Statencommissie RLN, het duidelijk is dat er geen PIP zal worden vastgesteld en dat ten gevolge daarvan geen ontgrondingsvergunning verleend zal kunnen worden. De brief luidt onder andere als volgt.
“De Provincie Limburg heeft met u op 12 mei 2011 een ruilovereenkomst voor gronden gesloten. Onderdeel van die ruilovereenkomst is een Inspanningsverplichting voor de Provincie om - kort gezegd - aan u een ontgrondingsvergunning met een looptijd van 7 jaar te verlenen. Om die ontgrondingsvergunning te kunnen verlenen zou de bestemming van de gronden gewijzigd moeten worden met een provinciaal inpassingsplan ('PIP'). Daarbij is u bekend dat de bevoegdheid al dan niet een PIP vast te stellen niet bij ons college, maar bij Provinciale Staten ligt.
Ons college heeft op 25 augustus 2020 besloten de voorbereidingsprocedure voor het PIP gefaseerd op te starten. Daarbij is ervoor gekozen als eerste een onderzoek naar (1 ) het draagvlak voor de ontgronding en (2) de stikstofbelasting van nabijgelegen kwetsbare natuur als gevolg van de ontgronding uit te voeren. De keuze om in de eerste fase al een draagvlakonderzoek uit te voeren, is (onder meer) ingegeven omdat de aanwezigheid van voldoende draagvlak in de omgeving ingevolge het POL 2014 een van de voorwaarden is voor verlening van een ontgrondingsvergunning. In de thans vigerende Omgevingsvisie Limburg is dit uitgangspunt eveneens opgenomen.
Het draagvlakonderzoek is op 25 mei 2021 afgerond. De belangrijkste conclusie van dit onderzoek is dat het draagvlak onder omwonenden voor de ontgronding zeer gering is, onder meer vanwege geluidsoverlast, verkeersoverlast, (fijn)stof en onveilige verkeerssituaties. De mogelijkheden het draagvlak voor de ontgronding te verhogen zijn volgens het onderzoek uiterst beperkt. In dit kader is overigens ook van belang dat de raad van de gemeente [D] in juli 2019 een motie heeft aangenomen waarin wordt verwoord dat er geen draagvlak is voor de voorgenomen ontgronding (hetgeen in 2016 al is verwoord in een motie van de raad van de toenmalige gemeente [A] ).
Bij brief van 12 oktober 2021 aan Provinciale Staten heeft de gemeenteraad van [D] wederom dit standpunt kenbaar gemaakt.
Uit het stikstofonderzoek van 30 april 2021 blijkt dat stikstof mogelijk intern gesaldeerd zou kunnen worden door het wegvallen van de bemesting van het landbouwkundig perceel dat zal worden ontgrond. Daarbij wordt wel de kanttekening geplaatst dat deze saldering slechts onder strikte voorwaarden kan plaatsvinden en het onderzoek onvoldoende duidelijkheid geeft over de vraag of volledig aan die voorwaarden kan worden voldaan.
Naast deze twee onderzoeken is door ons college onderzocht in hoeverre het mogelijk is het aantal vrachtverkeersbewegingen door woongebieden te verminderen. Daaruit blijkt dat er, ook vanwege de verkeersveiligheid, voor de afwikkeling van het (vracht)verkeer geen alternatieven beschikbaar zijn om de overlast als gevolg van het aantal verwachtverkeersbewegingen te beperken.
In overleg met u heeft ons college deze onderzoeksresultaten voorgelegd aan de commissie Ruimte Landbouw en Natuur (RLN) van Provinciale Staten. Aan deze Statencommissie zijn de volgende vragen voorgelegd:
1. Kunt u op basis van de momenteel beschikbare Informatie een richtinggevende uitspraak geven over de vraag of PS al dan niet een PIP voor de ontgronding te [C] zullen vaststellen, mede in aanmerking genomen de met [--] overeengekomen Inspanningsverplichting?
2. Indien de momenteel beschikbare informatie onvoldoende is om een richtinggevende uitspraak te kunnen geven: dient volgens PS eerst een volledig ontwerp-PIP te worden voorbereid, inclusief alle daartoe benodigde onderzoeken, of kunt u aangeven welke onderzoeken c.q. informatie u nog minimaal noodzakelijk acht om wel een richtinggevende uitspraak te kunnen geven?
Op 15 oktober 2021 heeft de bovenvermelde Statencommissie de voorbereiding van het PIP behandeld. U was bij deze behandeling een van de insprekers.
De Statencommissie heeft in de vergadering van 15 oktober 2021 een duidelijke richtinggevende uitspraak gedaan over de eventuele vaststelling van het PIP: Provinciale Staten zullen daar (als bevoegd orgaan) niet aan meewerken. Een afgetekende meerderheid van de fracties heeft te kennen gegeven dat een ontgronding op die locatie niet past binnen een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft de Statencommissie (mede) in aanmerking genomen bovengenoemde onderzoeksresultaten, de belangen van omwonenden en de aantasting van hun woon- en leefklimaat, de belangen van de gemeente [D] , het maatschappelijk belang van grondstoffenwinning, de in de ruilovereenkomst opgenomen
inspanningsverplichting en het (economisch) belang van uw onderneming. Ook is meegewogen dat na onderzoek door de Provincie en u geen geschikte alternatieve locaties op provinciale eigendommen zijn gebleken. Volgens de Statencommissie prevaleren - kort gezegd - de (ruimtelijke) belangen van omwonenden en de gemeente boven de belangen van u als initiatiefnemer, waarbij aldus rekening is gehouden met de inspanningsverplichting.
Omdat de publiekrechtelijke bevoegdheid tot het al dan niet vaststellen van een PIP bij Provinciale Staten ligt en de Statencommissie in meerderheid heeft aangegeven daar niet aan mee te zullen werken, is het duidelijk dat er geen PIP zal worden vastgesteld. Dat heeft tot gevolg dat geen ontgrondingsvergunning verleend zal kunnen worden.”