Uitspraak
201009810/1/R3kan aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals neergelegd in de Omgevingsverordening, verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.
201107071/1/H1). Dit laat onverlet dat bestuursorganen, die gehouden zijn tot eerbiediging van de rechten van particulieren die zijn neergelegd in het EVRM, ter verzekering daarvan in een procedure als deze de onverbindendheid kunnen inroepen van door hen bij de uitoefening van hun taken in acht te nemen voorschriften die huns inziens aan die eerbiediging in de weg staan. Voornoemde rechtspraak staat daaraan niet in de weg.
200301985/1).
200907391/1/H2). De Omgevingsverordening, die de raad bij het vaststellen van een bestemmingsplan in acht moet nemen, leidt tot een zodanige regulering (vergelijk de uitspraak van 12 november 2003 in zaak nr.
200301877/1).
200910210/1/R1en de uitspraak van 16 februari 2011 in zaak nr.
201005138/1/R3, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid de handhaving van de Omgevingsverordening als provinciaal belang heeft kunnen aantrekken. In dit verband is van betekenis dat provinciale staten het met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk hebben geacht algemene regels in de Omgevingsverordening op te nemen ten aanzien van de recreatieve functie van recreatiewoningen. Van bijzondere omstandigheden om van het geven van een reactieve aanwijzing af te zien, is niet gebleken. Derhalve faalt het betoog dat er geen sprake is van provinciale belangen die een reactieve aanwijzing noodzakelijk maken.