Uitspraak
gevestigd te Wassenaar,
gevestigd te Schiphol,
1.Het geding
2.Het tweede geding in cassatie
3.Uitgangspunten in cassatie
- i) Bij akte van 22 december 1993 heeft M.C. Groenenberg enige percelen land in de gemeente Haarlemmermeer nabij het luchtvaartterrein Schiphol (hierna ook: het Groenenbergterrein) in economische eigendom overgedragen aan Chipshol.
- ii) Op 11 februari 2003 heeft de gemeente Haarlemmermeer aan Chipshol twee bouwvergunningen verleend voor het bouwen van bedrijfspanden en kantoren op het Groenenbergterrein (fase I).
- iii) Bij besluit van 19 februari 2003, bekendgemaakt op 20 februari 2003, heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat de bouwmogelijkheden op het Groenenbergterrein ingevolge art. 38 (oud) Luchtvaartwet (hierna: LVW) beperkt (hierna: het bouwverbod).
- iv) Krachtens het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol geldt vanaf 20 februari 2003 een strikt regime voor de maximale hoogte van bouwwerken rondom het luchtvaartterrein Schiphol. Deze maximale bouwhoogten zijn gelijk aan de maximale bouwhoogten uit het bouwverbod.
- v) Op 6 mei 2003 heeft de gemeente Haarlemmermeer aan Chipshol twee bouwvergunningen verleend voor het bouwen van bedrijfspanden en kantoren op het Groenenbergterrein (fase II).
- vi) Bij besluit van 28 juni 2007 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat het bouwverbod met onmiddellijke ingang en onvoorwaardelijk opgeheven.
- vii) Bij akte van 23 november 2007 heeft Groenenberg het na onteigening en gedeeltelijke overdrachten nog resterende gedeelte van het Groenenbergterrein geleverd aan Chipshol die dit vervolgens, met uitzondering van een door haarzelf behouden gedeelte, heeft geleverd aan 37 besloten vennootschappen.
5.Beoordeling van het middel in het principale beroep
.Dit betekent voorts dat de verwijzingsrechter (slechts) in zoverre niet is gebonden aan in cassatie niet of tevergeefs bestreden beslissingen. Partijen kunnen dus niet in de art. 50-procedure beslissingen van de rechtbank die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, (voor het eerst of opnieuw) aan de orde stellen met een beroep op feiten en omstandigheden die geen rol (kunnen) spelen in de art. 55-procedure.
De onderlinge samenhang van beide vorderingen brengt immers mee dat de resultaten van beide onderzoeken met elkaar vergelijkbaar dienen te zijn, hetgeen een vergelijkbare onderzoeksopzet vereist.
art. 55-vordering en strekken niet tot heroverweging van de desbetreffende schadepost, maar tot beoordeling of het in de art. 50-procedure toegekende bedrag mogelijk gerestitueerd moet worden.
rov. 3.6.6 van dat arrest heeft overwogen dat bij de bepaling van de waardevermeerdering niet zonder meer zou worden uitgegaan van de bouwplannen van Chipshol, maar dat ook andere plannen bij de beoordeling konden worden betrokken.
6.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
art. 50-schadeloosstelling, nu – zoals het ook zelf eerder overwoog – dit onderwerp viel buiten de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie.
7.Vervolg van het geding
8.Beslissing
19 oktober 2018.