Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2007 tot en met 2016, met name tegen het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Deze bezwaren zijn ingediend na de wettelijke termijnen voor bezwaar en verzoeken tot ambtshalve vermindering, waardoor de inspecteur ze niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft dit oordeel bevestigd en het beroep van belanghebbende deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.
Belanghebbende stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 bekend is dat het toenmalige stelsel van box 3-heffing inbreuk maakt op het discriminatieverbod en eigendomsrecht. Tevens vorderde hij compensatie voor de onrechtmatige heffing. Het hof oordeelt dat deze reden geen verschoonbaarheid oplevert, omdat belanghebbende tijdig bezwaar had kunnen maken maar dat destijds niet deed.
Het hof benadrukt dat het niet bevoegd is om de redelijkheid van de wet te toetsen en dat een wettelijke verjaringstermijn bedoeld is om het verleden definitief af te sluiten, wat rechtszekerheid biedt voor zowel belastingplichtige als inspecteur. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.