Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:742

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
25/818
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen WOZ-waarde woning en proceskostenvergoeding gemeente Veldhoven

De heffingsambtenaar van de gemeente Veldhoven stelde de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende vast op €400.000 en handhaafde deze bij bezwaar. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, die de waarde verlaagde naar €389.000 en de gemeente veroordeelde tot proceskostenvergoeding.

De gemeente stelde hoger beroep in bij het hof, waarbij het geschil onder meer betrof of de gemachtigde van belanghebbende rechtsgeldig was gemachtigd om het beroep te voeren, of de rechtbank de WOZ-waarde terecht had verlaagd en of taxatiekosten vergoed moesten worden.

Het hof oordeelde dat de gemachtigde van belanghebbende, [BV 2], rechtsgeldig was gemachtigd op basis van de machtiging, doormachtiging en e-mailcorrespondentie. Vervolgens stelde het hof vast dat de rechtbank ten onrechte de WOZ-waarde had verlaagd, omdat de gemeente aannemelijk had gemaakt dat de waarde van €400.000 niet te hoog was, mede door een gedegen vergelijking met vergelijkbare woningen.

De rechtbank had ten onrechte de gemeente veroordeeld tot proceskostenvergoeding en het hof vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en bevestigt de WOZ-waarde van €400.000.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/818
Uitspraak op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Veldhoven,
hierna: de heffingsambtenaar,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 maart 2025, nummer SHE 24/852, in het geding tussen de heffingsambtenaar en
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken een beschikking gegeven en daarbij de waarde van [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de woning) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2023 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] en [taxateur] (taxateur). Voor de zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende laten weten dat namens belanghebbende niemand zal verschijnen.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning.
2.2.
De woning is een in 1966 gebouwde hoekwoning, gelegen in [woonplaats] . De woning bestaat uit een hoofdbouw van 114 m2, een vrijstaande garage van 15 m2, een dakkapel van 3 m2, een aanbouw van 14 m2 en een overkapping van 11 m2. De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 235 m2.
2.3.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per de waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op € 400.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning en de aanslag gehandhaafd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de waarde van de woning vastgesteld op € 389.000, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 3.261,26 en de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden.
2.5.
Tot de gedingstukken behoort een machtigingsformulier (hierna: de machtiging) dat door belanghebbende is getekend op 17 maart 2023. Op het formulier is onder meer het volgende vermeld:
“Ik machtig de medewerkers van [BV 1] en eventueel door haar ingeschakelde derden om mij te vertegenwoordigen voor mijn belang op te komen en in rechte op te treden in alle aangelegenheden omtrent de WOZ-beschikking 2023 voor mijn pand, waaronder de bezwaar- en (hoger)beroepsprocedure voor deze beschikking.”.
2.6.
Tot de gedingstukken behoort een “Doormachtiging” (hierna: de doormachtiging) die door [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) van [BV 1] (hierna: [BV 1] ) is getekend op 28 juni 2023. Op de doormachtiging is onder meer het volgende vermeld:
“Ondergetekende [persoon 1] , in dit verband handelend in hoedanigheid van rechtsgeldig vertegenwoordiger van [BV 1] te [plaats] ,
verklaart bij deze volmacht te verlenen aan en te machtigen de heer [persoon 2] dan wel ieder andere medewerker werkzaam bij [BV 2] , om op basis van de eerder door belastingplichtige afgegeven machtiging aan [BV 1] , de (hoger)beroepsprocedure te voeren aangaande het door [BV 1] behandelde bezwaar voor het belastingjaar 2023, onder welke werkzaamheden in ieder geval dienen te worden verstaan:
1. beroep en/of hoger beroep in te stellen, te verschijnen, ter zake het woord te voeren en alle processuele handelingen te verrichten, welke de lasthebber noodzakelijk, nuttig of wenselijk voorkomen;
2. al datgene te verrichten wat ondergetekenden, zelf tegenwoordig zijnde, zouden mogen, moeten of kunnen doen, behoudens de gevallen waarin ingevolge wettelijk voorschrift of bevel van de rechter de persoonlijke verschijning van de lastgevers wordt vereist dan wel overlegging van een bijzondere volmacht voorgeschreven is.”.
2.7.
Tot de gedingstukken behoort e-mailverkeer tussen belanghebbende en [BV 2] (hierna: [BV 2] ).
2.7.1.
In de e-mail van [BV 2] van 25 januari 2024 aan belanghebbende is het volgende vermeld:
“Vandaag hebben wij een beroepschrift, voor het dossier met kenmerk [kenmerk] , naar de rechtbank verzonden. De rechtbank zal het beroepschrift doorzetten naar de gemeente. Het antwoord op dit beroepschrift zal zeer waarschijnlijk nog enige tijd op zich laten wachten. Zodra wij de uitspraak hebben ontvangen zullen wij hem beoordelen en aan je toezenden. Het opgestelde beroep is net als het bezwaar voor jou volledig kosteloos, en kunnen wij uitvoeren met de reeds afgegeven machtiging voor het bezwaar.”.
2.7.2.
In de e-mail van belanghebbende van 20 november 2025 aan [BV 2] is het volgende vermeld:
“Beste
Ik krijg factuur maar ik heb nog niks ontvangen van de gemeente dit betekent dus ook dat ik pas kan betalen als factuur betaald word door gemeente”.
2.7.3.
In de e-mail van [BV 2] van 21 november 2025, 11.29 uur, aan belanghebbende is het volgende vermeld:
“Wij hebben een reactie ontvangen van gemeente Veldhoven. Blijkbaar heeft de gemeente hoger beroep ingesteld naar aanleiding van de uitspraak op beroep en wordt de proceskostenvergoeding nog niet overgemaakt.
Heeft u brieven ontvangen van het Gerechtshof? Wij zijn niet op de hoogte gesteld van het hoger beroep, deze informatie wordt doorgaans rechtstreeks aan belanghebbende gestuurd.
Ik hoor graag of u stukken van het Gerechtshof heeft ontvangen. Wij zullen de procedure voor u voeren.
U kunt de factuur als niet-verzonden beschouwen.”.
2.7.4.
In de e-mail van belanghebbende van 21 november 2025, 12.28 uur, aan [BV 2] is het volgende vermeld:
“Ik heb van allerlei stukken ontvangen waar ik geen wijs uit kan”.
2.7.5.
In de e-mail van [BV 2] van 21 november 2025, 12.29 uur, aan belanghebbende is het volgende vermeld:
“Zou u deze stukken aan ons willen doorsturen?”.
2.7.6.
In de e-mail van belanghebbende van 21 november 2025, 12.30 uur, aan [BV 2] is het volgende vermeld:
“Okay ik zal dit in het weekend doen”.
2.7.7.
In de e-mail van belanghebbende van 4 februari 2026 aan [BV 2] is het volgende vermeld:
“Ik ga akkoord met hoger beroep.”
2.8.
Op www.nu.nl is op 19 januari 2026 een bericht gepubliceerd, waarin onder meer het volgende is vermeld:

WOZ-bureau past website aan na klachten van gebruikers.
Bezwaarbureau [BV 1] heeft de gelijknamige website aangepast op verzoek van de Autoriteit Consument & Markt (ACM). De toezichthouder kreeg meldingen van consumenten over onduidelijke informatie.
Consumenten meldden dat zij ongewild een machtiging aan [BV 1] hadden afgegeven, nadat ze online hadden gecheckt of het zin had om bezwaar te maken.
Ook vermeldden zij dat het bedrijf niet duidelijk was over de proceskosten die met de bezwaarprocedure gemoeid waren.”.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:
Is [BV 2] , en daarmee [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), rechtsgeldig gemachtigd in beroep?
Heeft de rechtbank de waarde van de woning ten onrechte verminderd?
Komen de kosten van het door belanghebbende overgelegde taxatierapport voor vergoeding in aanmerking, dan wel zijn deze tot een te hoog bedrag in aanmerking genomen?
3.2.
De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en primair niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Ten aanzien van vraag a (rechtsgeldige machtiging)
4.1.
De heffingsambtenaar stelt dat [BV 2] en/of [persoon 2] niet rechtsgeldig zijn gemachtigd in beroep. De heffingsambtenaar heeft daartoe gewezen op de volgende feiten en omstandigheden. In de machtiging is geen recht van substitutie opgenomen, alleen de mogelijkheid om door [BV 1] ingeschakelde derden op te laten komen voor zijn belangen. Verder ziet de doormachtiging niet specifiek op de onderhavige procedure. Ook blijkt niet dat belanghebbende enige weet heeft van de doormachtiging of dat [BV 1] is betrokken bij het beroep. Verder heeft de heffingsambtenaar gewezen op de algemene werkwijze van [BV 2] - verwijzend naar uitspraken [1] van meerdere gerechtshoven - en op die van [BV 1] - verwijzend naar het in 2.8 bedoelde bericht op www.nu.nl. Omdat [BV 2] en/of [persoon 2] voor het beroep niet rechtsgeldig zijn gemachtigd, had de rechtbank volgens de heffingsambtenaar het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.
4.2.
[BV 2] stelt dat belanghebbende in beroep wel degelijk weet had van de onderhavige procedure en heeft daartoe afdrukken van de in 2.7 tot en met 2.7.7 bedoelde e-mails overgelegd.
4.3.
De heffingsambtenaar heeft hiertegen ingebracht dat deze e-mails niets zeggen over de wetenschap van belanghebbende omtrent het instellen van beroep en evenmin uitsluitsel geven over de vraag of belanghebbende actief heeft ingestemd met het instellen van beroep.
4.4.
Naar het oordeel van het hof volgt uit de machtiging, de doormachtiging en de e-mailwisseling tussen belanghebbende en [BV 2] (zie 2.7) dat [BV 2] in het onderhavige geval rechtsgeldig is gemachtigd om beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar en belanghebbende te vertegenwoordigen in beroep en hoger beroep. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de in 2.7 tot en met 2.7.7 bedoelde e-mails volgt dat belanghebbende op de hoogte is gesteld van het ingestelde beroep. Anders dan de heffingsambtenaar meent, is onder deze omstandigheden geen actieve instemming van belanghebbende nodig. Evenmin is het nodig dat [BV 1] na de uitspraak op bezwaar nog bij de procedure betrokken blijft. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende in reactie op de in 2.7.1 bedoelde e-mail van [BV 2] heeft laten weten dat hij het niet eens was met het instellen van beroep. Het hof ziet in het onderhavige dossier onvoldoende aanleiding om belanghebbende in persoon op te roepen ter zitting te verschijnen.
Ten aanzien van vraag b (de waarde van de woning)
4.5.
De heffingsambtenaar stelt dat de rechtbank ten onrechte de waarde van de woning heeft verminderd, omdat (i) na het onderzoek ter zitting van de rechtbank geen beroepsgronden meer resteerden, (ii) de waardering van de rechtbank van de door belanghebbende aangedragen bewijzen onbegrijpelijk is en (iii) de rechtbank de bewijsregels uit het arrest Oostflakkee [2] onjuist heeft toegepast.
4.6.
Belanghebbende heeft hiertegen in hoger beroep geen verweer gevoerd. Het hof zal hetgeen belanghebbende in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, in de beoordeling betrekken. Daarbij merkt het hof op dat tot de gedingstukken slechts één namens belanghebbende overgelegd taxatierapport behoort, namelijk het rapport dat is uitgebracht op 17 maart 2023 op papier van [BV 1] | [naam] en waaruit een waarde van € 346.000 volgt (hierna: het taxatierapport van [BV 1] | [naam] ).
4.7.
De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem bepleite waarde van de woning in beroep een matrix, voorzien van foto’s, overgelegd. In de matrix is de woning van belanghebbende vergeleken met drie vergelijkingsobjecten, namelijk de woningen aan [adres 2] en [adres 3] en [adres 4] . Het hof is van oordeel dat uit de matrix bezien in samenhang met de foto’s volgt dat de referentieobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van belanghebbende. De vergelijkingsobjecten zijn alle gelegen in [woonplaats] , in dezelfde wijk als de woning van belanghebbende en hebben hetzelfde bouwjaar als de woning van belanghebbende. De objecten [adres 2] en [adres 3] zijn rijwoningen en het object [adres 4] is, net als de woning van belanghebbende, een hoekwoning. De vergelijkingsobjecten zijn alle binnen een jaar van de waardepeildatum verkocht en de verkoopprijzen zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum. Verder volgt uit de matrix dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat met verschillen tussen de woning van belanghebbende en de vergelijkingsobjecten voldoende rekening is gehouden. De grondwaarde is vastgesteld op basis van een staffel, waarbij de prijs per m2 lager wordt naarmate de kavel groter is. De heffingsambtenaar heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat een waarde van de woning van € 400.000 niet te hoog is.
4.8.
Hetgeen belanghebbende hiertegen heeft ingebracht leidt niet tot een ander oordeel. Het hof constateert dat het taxatierapport van [BV 1] | [naam] niet is voorzien van beeldmateriaal. De heffingsambtenaar heeft terecht gesteld dat de in dat taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten niet vergelijkbaar zijn qua type woning en onderhoudstoestand. Hij heeft immers met foto’s aannemelijk gemaakt dat de vergelijkingsobjecten die belanghebbende aanvoert, [adres 5] en [adres 6] , drive-in woningen zijn. Verder is de stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met een lager dan gemiddeld duurzaamheidsniveau van zijn woning, niet gemotiveerd. Sterker nog: belanghebbende heeft zelf op het inlichtingenformulier verklaard dat sprake is van dakisolatie en gedeeltelijk dubbel glas en de gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat in een nieuwe, namens belanghebbende verrichte, taxatie is uitgegaan van hetzelfde duurzaamheidsniveau als waarvan de heffingsambtenaar uitgaat, namelijk factor 3. Het door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen duurzaamheidniveau is dus alleszins redelijk en was gelet op wat de gemachtigde ter zitting van de rechtbank heeft verklaard, ook niet meer tussen partijen in geschil.
4.9.
De heffingsambtenaar heeft dus aannemelijk gemaakt dat een waarde van de woning van € 400.000 niet te hoog is. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar is gegrond.
Ten aanzien van vraag c (taxatiekosten)
4.10.
Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende ten onrechte gegrond verklaard en daarom ten onrechte de heffingsambtenaar veroordeeld in de kosten van bezwaar en beroep. Het hof komt daarom niet toe aan de vraag of de rechtbank terecht een vergoeding voor taxatiekosten heeft toegekend.
Tussenconclusie
4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.12.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.