Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:806

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
24/1197, 24/1198 en 24/1348 tot en met 24/1350
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbArt. 2:9 lid 2 BWArt. 9 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep belastingzaken zelfstandigenaftrek en premieplicht volksverzekeringen

Belanghebbende, woonachtig in Duitsland en werkzaam als fiscaal adviseur, stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat hij voor de jaren 2013 en 2014 recht had op zelfstandigenaftrek en dat hij niet premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen. Tevens betwistte hij de toepassing van interne compensatie door de inspecteur en vorderde hij een hogere proceskostenvergoeding.

Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij het urencriterium voor zelfstandigenaftrek had behaald, mede vanwege wisselende verklaringen over het uurtarief en het ontbreken van een sluitende urenregistratie. Betalingen aan een derde partij werden niet als zakelijke lasten erkend, omdat vaststond dat bedragen van een derdengeldenrekening onrechtmatig waren gebruikt.

Verder bevestigde het hof dat de inspecteur interne compensatie mocht toepassen ondanks dat een pensioen aan Duitsland was toegewezen. Belanghebbende was premieplichtig in Nederland omdat hij een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte. Voor de jaren 2018 en 2019 ontbrak procesbelang omdat belanghebbende een hogere aanslag wenste. Verzoeken om immateriële schadevergoeding en kostenvergoeding in de bezwaarfase werden afgewezen. Het hof verklaarde zich onbevoegd om over schadevergoeding te oordelen en veroordeelde partijen niet in proceskosten.

Uitkomst: Het hof verklaart de hoger beroepen ongegrond en bevestigt de uitspraken van de rechtbank over zelfstandigenaftrek, interne compensatie en premieplicht volksverzekeringen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1197, 24/1198 en 24/1348 tot en met 24/1350
Uitspraak op de hoger beroepen van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] , Duitsland
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 3 juli 2024, nummers BRE 23/3533 en 23/3534, en van 25 juli 2024, nummers BRE 23/85 tot en met 23/87, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2019 de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Voor het jaar 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd. Tevens is voor 2013, 2014, 2018 en 2019 bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren over alle jaren gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen voor de jaren 2013 en 2014 gegrond verklaard en de beroepen voor de jaren 2012, 2018 en 2019 ongegrond.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, en, via een geluid- en beeldverbinding namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting in de zaken 24/1348 tot en met 24/1350 een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof. Het hof heeft de pleitnota met een deel van de bijlagen aan de andere partij doorgestuurd. Het hof heeft het andere deel van de bijlagen als tardief niet tot de stukken van het geding gerekend.
1.8.
Het hof heeft na afloop van de zitting het onderzoek in de zaken 24/1197 en 24/1198 gesloten en het onderzoek in de zaken 24/1348 tot en met 24/1350 geschorst.
1.9.
De inspecteur heeft de gelegenheid gekregen om binnen twee weken na afloop van de zitting op de bijlagen te reageren. Hij heeft dat niet gedaan. Het hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
1.10.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende woonde in de onderhavige jaren in Duitsland. Belanghebbende dreef in die jaren een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De ondernemingsactiviteiten bestonden uit fiscaal advieswerk.
Kosten betaald aan [naam 1]
2.2.
Tot 12 augustus 2006 was belanghebbende werkzaam als advocaat.
2.3.
Belanghebbende was met ingang van 26 augustus 1994 enig aandeelhouder en bestuurder van de door hem opgerichte [bedrijf] B.V. (hierna: de BV). Het bij oprichting door belanghebbende op de aandelen geplaatste en gestorte kapitaal bedroeg € 18.151. Door deze vennootschap werden taxibedrijven geëxploiteerd.
2.4.
In het jaar 1996 heeft belanghebbende ten behoeve van zijn advocatenpraktijk de Stichting Derdengelden praktijkuitoefening [belanghebbende] (hierna: de Stichting Derdengelden ) opgericht. Naast belanghebbende maakte [naam 1] (hierna: [naam 1] ) deel uit van het bestuur van de Stichting Derdengelden .
2.5.
In 2003 is de BV failliet verklaard. Vervolgens is dat faillissement in hetzelfde jaar in verband met een gebrek aan baten opgeheven.
2.6.
Op 3 november 2004 respectievelijk 7 februari 2007 zijn belanghebbende en de Stichting Derdengelden in staat van faillissement gesteld.
2.7.
Op 4 maart 2007 heeft de inspecteur met (de curator van) belanghebbende een vaststellingsovereenkomst gesloten met als doel de reële belastingschuld van belanghebbende vast te stellen (de VSO). Voor zover het de IB/PVV betreft, heeft de VSO betrekking op de jaren 1993 tot en met 2005.
2.8.
De curator van de Stichting Derdengelden heeft [naam 1] als voormalig bestuurder van de Stichting Derdengelden aansprakelijk gesteld op grond van artikel 2:9, lid 2, Burgerlijk Wetboek wegens onbehoorlijk bestuur. Daarbij heeft de curator in rechte gevorderd om aan de curator te betalen de schade bestaande uit de oneigenlijke betalingen vanaf de derdengeldrekening, gemaximeerd op het bedrag van het boedeltekort.
2.9.
De curator heeft aan zijn vordering het volgende ten grondslag gelegd:
“In de periode 2001 tot en met november 2004 heeft [belanghebbende] ten onrechte aanzienlijke bedragen (alleen al 24 bedragen van € 10.000,00 of meer, die in totaal meer dan een miljoen euro betreffen) van de Stichting Derdengelden overgeboekt naar zijn privérekeningen en naar rekeningen van aan hem gelieerde vennootschappen.”.
2.10.
De rechtbank Amsterdam heeft de vordering van de curator bij vonnis van 11 november 2009 toegewezen. [1] Tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam heeft [naam 1] hoger beroep ingesteld. Hof Amsterdam heeft op 11 december 2012 het beroep ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [2]
2.11.
De curator van de Stichting Derdengelden heeft eveneens [Bank] N.V. ( [Bank] ) aansprakelijk gesteld. De rechtbank Utrecht [3] heeft de vordering van de curator bij vonnis van 26 mei 2010 afgewezen. Op het hoger beroep van de curator heeft het Hof Amsterdam [4] deze uitspraak vernietigd en voor recht verklaard dat [Bank] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van de Stichting Derdengelden .
2.12.
In de onder 2.10 vermelde uitspraak van het Hof Amsterdam is als feit vastgesteld dat belanghebbende de bankrekening van de Stichting Derdengelden niet alleen heeft gebruikt om daarop gelden te ontvangen die hij als advocaat ten behoeve van derden onder zich kreeg, maar ook, in elk geval in de periode van 2001 tot en met 2004, om er gelden op te laten storten en van af te schrijven die met het doel van een derdengeldrekening niets van doen hadden. Die bij- en afschrijvingen hadden, onder meer, te maken met het door de BV geëxploiteerde taxibedrijf. Ook is vastgesteld dat in die periode tot een bedrag van in totaal € 1.026.439,90 afboekingen ten laste van de derdengeldrekening hebben plaatsgevonden die niets van doen hadden met het doel van de derdengeldrekening. In die periode zijn er ook bijboekingen geweest, maar het totaal daarvan was lager dan die afboekingen.
2.13.
[naam 1] heeft belanghebbende in een brief van 23 mei 2013 aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 121.154,60. Dit bedrag bestaat uit het bedrag van het door [naam 1] met de curator overeengekomen schikkingsvoorstel van € 95.000, een bedrag van € 22.346 aan door [naam 1] betaalde advocaatkosten en een bedrag van in totaal € 3.808,60 aan betaalde griffierechten voor de door [naam 1] gevoerde procedures.
2.14.
Voor de vordering van [naam 1] is bij belanghebbende loonbeslag gelegd, waarbij een beslagvrije voet in aanmerking is genomen. De schuld aan [naam 1] wordt in termijnen terugbetaald. In 2012, 2013 en 2014 is door belanghebbende jaarlijks een bedrag van € 3.813 voldaan.
Premieplicht
2.15.
Voor de jaren 2012, 2013 en 2014 heeft belanghebbende verschillende aangiften IB/PVV ingediend. Bij de meest actuele aangiften heeft belanghebbende steeds gebruik gemaakt van een aangiftebiljet voor binnenlandse belastingplichtigen. Bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2012, 2013 en 2014 is de inspecteur ervan uitgegaan - conform de ingediende aangiften - dat belanghebbende in Nederland premieplichtig is voor de volksverzekeringen en dat op hem de regels voor een binnenlandse belastingplichtige van toepassing zijn.
2.16.
Belanghebbende heeft in 2012 en 2013 een nabestaandenpensioen van [Pensioenfonds] ontvangen van € 7.517 en in 2014 van € 7.625 (hierna: het nabestaandenpensioen). Het nabestaandenpensioen is in Duitsland belast.
Overzicht aanslagen
2.17.
Voor het jaar 2012 zijn de meest actuele aangifte IB/PVV, de aanslag IB/PVV en de uitspraak op bezwaar als volgt opgebouwd:
2012
Aangifte
Aanslag
UOB
Winst uit onderneming
€ 12.681
€ 12.681
€ 12.681
Zelfstandigenaftrek
€ -7.280
€ -7.280
MKB-winstvrijstelling
€ -649
€ -649
€ -649
AOW-uitkering
€ 15.347
€ 15.347
€ 15.347
Nabestaandenpensioen
€ 7.517
€ 7.517
Inkomsten uit eigen woning
€ -3.408
€ -3.408
€ -3.408
Kosten levensonderhoud kinderen
€ -1.065
€ -1.065
€ -1.065
Inkomen uit werk en woning
€ 23.143
€ 23.143
€ 22.906
2.18.
Voor het jaar 2013 zijn de meest actuele aangifte IB/PVV, de aanslag IB/PVV en de uitspraak op bezwaar als volgt opgebouwd:
2013
Aangifte
Aanslag
UOB
Winst uit onderneming
€ 14.077
€ 14.077
€ 14.077
Zelfstandigenaftrek
€ -7.280
€ -7.280
MKB-winstvrijstelling
€ -952
€ -952
€ -952
AOW-uitkering
€ 15.561
€ 15.561
Nabestaandenpensioen
€ 7.517
Inkomen uit werk en woning
€ 5.845
€ 28.923
€ 28.686
2.19.
Voor het jaar 2014 zijn de meest actuele aangifte IB/PVV, aanslag IB/PVV en de uitspraak op bezwaar als volgt opgebouwd:
2014
Aangifte
Aanslag
UOB
Winst uit onderneming
€ 12.260
€ 12.260
€ 12.260
Zelfstandigenaftrek
€ -7.280
€ -7.280
MKB-winstvrijstelling
€ -698
€ -698
€ -698
AOW-uitkering
€ 15.789
€ 15.789
€ 15.789
Nabestaandenpensioen
€ 7.625
€ 7.625
Aftrek specifieke zorgkosten
€ -3.014
€ -2.022
€ -2.022
Inkomen uit werk en woning
€ 24.682
€ 25.674
€ 25.329
2.20.
In de winstbijlage bij de aangifte IB/PVV 2012 staat dat een bedrag van € 27.500 is gedoteerd aan een voorziening met de omschrijving ‘Beroepsaansprakelijk [naam 3] .’.
2.21.
Belanghebbende heeft voor de jaren 2012, 2013 en 2014 ook een ‘Niet in Nederland belastbaar inkomen uit werk en woning’ (hierna: NiNbi) aangegeven. De inspecteur heeft voor de jaren 2012 en 2014 het NiNbi bij (herziene) beschikking vastgesteld op nihil. Voor het jaar 2013 heeft de inspecteur het NiNbi bij beschikking vastgesteld op € 236.
2.22.
De inspecteur heeft voor de jaren 2018 en 2019 aan belanghebbende de volgende (navorderings-)aanslagen opgelegd en de volgende beschikkingen vastgesteld:
- over het jaar 2018 een navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.824 en gelijktijdig een beschikking waarbij € 7.200 belastingrente in rekening is gebracht,
- voor het jaar 2019 de aanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 134.490 en gelijktijdig een beschikking waarbij € 631 belastingrente in rekening is gebracht.
2.23.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen gegrond verklaard en het verzoek om een (immateriële)schadevergoeding afgewezen. De inspecteur heeft geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.
2.24.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en bij gelijktijdige beschikking het in 2018 geleden verlies vastgesteld op € 1.414.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag IB/PVV 2019 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. De bijbehorende belastingrentebeschikkingen zijn door de inspecteur dienovereenkomstig verminderd.
2.25.
De rechtbank heeft de beroepen voor de jaren 2012, 2018 en 2019 ongegrond verklaard en de beroepen voor de jaren 2013 en 2014 gegrond. De rechtbank heeft de aanslag IB/PVV 2013 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.519, de aanslag IB/PVV 2014 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.162 en de rentebeschikkingen evenredig verminderd. Verder heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 6.000 en tot betaling van de proceskosten van belanghebbende van € 65.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
2012, 2013 en 2014
1. Kan belanghebbende in 2013 en 2014 aanspraak maken op zelfstandigenaftrek?
2. Kan belanghebbende in 2012, 2013 en 2014 de betalingen aan [naam 1] van € 3.813 in aftrek brengen?
3. Mag de inspecteur interne compensatie toepassen ten aanzien van het nabestaandenpensioen dat aan Duitsland is toegewezen?
4. Is belanghebbende in Nederland premies volksverzekeringen verschuldigd in 2013 en 2014?
5. Heeft belanghebbende recht op een hogere vergoeding van zijn proceskosten bij de rechtbank?
2018 en 2019
- Heeft belanghebbende een procesbelang bij de procedure? Zo ja: heeft belanghebbende in 2018 en 2019 een vaste inrichting in Nederland?
- Kan belanghebbende aanspraak maken op een (immateriële) schadevergoeding?
Voor alle jaren:
- Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, voor 2012, 2013 en 2014 vermindering van de aanslagen en voor 2018 en 2019 tot vaststellen van de navorderingaanslag IB/PVV voor 2018 en de aanslag IB/PVV 2019 op verzamelinkomens van € 5.180 en € 6.002, toewijzing van schadevergoeding en veroordeling in de kosten voor de bezwaarfase. De inspecteur concludeert voor alle jaren tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank.
3.3.
De vraag of belanghebbende in 2012 tot en met 2014 een vaste inrichting in Nederland had, is niet langer in geschil. Ook is de aftrek van aan zijn zoon betaalde bedragen niet langer in geschil.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
4.0.
Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota met bijlagen overgelegd. De bijlagen bestaan uit:
- overzichten van de Duitse bankrekening op naam van belanghebbende met betalingen van Duitse Einkommensteuer 2013 en 2014 aan de Duitse Belastingdienst. De inspecteur bestrijdt de betaling van deze bedragen. Het hof heeft ter zitting toegelaten dat belanghebbende deze bijlagen overlegt en heeft de inspecteur de mogelijkheid gegeven om na afloop van de zitting op deze stukken te reageren.
- afschriften van de aanslagen Duitse inkomstenbelasting/Berechnungen Einkommensteuer over 2013 en 2014 (hierna: Berechnungen). Het hof stelt voorop dat artikel 8:58 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze bepaling beoogt een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Binnen het kader van een goede procesorde heeft de rechter de mogelijkheid stukken die binnen de termijn van tien dagen of op de zitting zijn ingediend al dan niet in de procedure toe te laten. Ter zitting heeft belanghebbende niet aangegeven waarom hij deze stukken niet eerder had overgelegd. Hij heeft wel onderdelen van de stukken in zijn hoger beroepschrift gekopieerd en had dus de beschikking over deze stukken ten tijde van het opstellen van zijn hoger beroepschrift. Belanghebbende had dan ook deze stukken uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting kunnen en moeten overleggen. Het hof is daarom van oordeel dat het belang van een goede procesorde zich verzet tegen overlegging van deze stukken.
Ten aanzien van het geschil met betrekking tot de jaren 2012, 2013 en 2014
Zelfstandigenaftrek
4.1.
Belanghebbende stelt dat hij in de jaren 2013 en 2014 meer dan 1.225 uur heeft besteed aan zijn onderneming en dat hij daarom aanspraak kan maken op de zelfstandigenaftrek. Belanghebbende onderbouwt zijn tijdsbesteding door erop te wijzen dat hij in 2013 en 2014 in Duitsland en in Nederland dermate hoge omzetten, namelijk € 59.837 in 2013 en € 78.948 in 2014, heeft behaald dat hij aan het urencriterium voldoet. Belanghebbende stelt verder dat hij met een uurtarief van € 30 in 2013 1.995 uren aan zijn onderneming heeft besteed en in 2014 2.631 uur. De inspecteur betwist dat belanghebbende in 2013 en 2014 aan het urencriterium heeft voldaan. Hij wijst erop dat belanghebbende wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn uurtarief, dat belanghebbende geen urenregistratie heeft bijgehouden waaruit volgt wanneer hij voor welke cliënten heeft gewerkt en wat de aard en de duur van zijn werkzaamheden is geweest. Het is volgens de inspecteur niet controleerbaar of belanghebbende aan het urencriterium heeft voldaan.
4.2.
De bewijslast dat voldaan is aan het urencriterium rust op belanghebbende. Daartoe is behulpzaam maar niet strikt noodzakelijk dat een belanghebbende een urenregistratie overlegt. Belanghebbende kan ook op andere wijze aan deze bewijslast voldoen. Belanghebbende wijst daartoe op zijn omzetten en zijn uurtarief. Belanghebbende heeft echter telkens wisselende verklaringen afgelegd over zijn uurtarief. In zijn beroepschrift noemt belanghebbende een tarief van € 32,50, in hoger beroep een tarief van € 30 en ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat hij werkte met vaste tariefafspraken voor zijn cliënten en niet per uur factureerde. Verder stelt belanghebbende in zijn beroepschrift dat hij in 2013 een totale omzet van € 91.797 heeft behaald en in 2014 € 80.888, in hoger beroep noemt hij andere bedragen. Ook heeft belanghebbende ter ondersteuning van zijn tijdsbesteding rittenstaten overgelegd. Deze rittenstaten beginnen per 30 augustus 2014 en lopen tot in 2020. Daarin heeft belanghebbende telkens gelijke en afgeronde afstanden opgenomen voor de verschillende ritten. Met deze verschillende bescheiden heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij in 2013 en 2014 tenminste 1.225 uur aan zijn onderneming heeft besteed. Het hof acht de behaalde omzetten in 2013 en 2014 geen betrouwbare maatstaf gelet op de telkens wisselende bedragen die belanghebbende noemt als omzetten in 2013 en 2014 en de omstandigheid dat belanghebbende anders dan hij eerder verklaarde kennelijk geen vast uurtarief hanteerde in deze jaren. Voor zover belanghebbende de rittenstaten ter onderbouwing van het urencriterium heeft overgelegd, slaagt hij evenmin in het bewijs omdat deze staten niet sluitend zijn en verder pas vanaf 30 augustus 2014 zijn overgelegd.
Betaling [naam 1]
4.3.
Belanghebbende betoogt dat hij het door hem in 2012, 2013 en 2014 betaalde bedrag van € 3.813 aan [naam 1] als nagekomen bedrijfslast in aftrek kan brengen op zijn winst uit onderneming in deze jaren. De inspecteur bestrijdt dat belanghebbende deze betalingen ten laste van zijn winst kan brengen en verwijst naar dat wat het gerechtshof ’sHertogenbosch [5] en de Hoge Raad [6] met betrekking tot 2016 hebben geoordeeld.
4.4.
De rechtbank verwijst naar dat wat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ten aanzien van 2016 heeft geoordeeld en neemt dat over. In die uitspraak heeft het hof met betrekking tot 2016 als volgt geoordeeld:
“4.10. De bewijslast voor de feiten en omstandigheden die rechtvaardigen dat een last wordt genomen in verband met de aansprakelijkstelling door [naam 1] , rust op belanghebbende. Belanghebbende stelt dat hij de bedragen van de derdengeldrekening altijd heeft aangewend ten behoeve van de zakelijke belangen van zijn onderneming.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende met dat wat hij heeft verklaard en heeft overgelegd niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitgaven die voortvloeien uit de aansprakelijkstelling door [naam 1] zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van zijn onderneming. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat in de procedures van de curator tegen [naam 1] respectievelijk [Bank] is komen vast te staan dat ten laste van de derdengeldrekening ruim € 1 mio is geboekt aan betalingen die niets met doel en strekking van de derdengeldrekening te maken hebben. Weliswaar zijn er ook bijboekingen geweest, maar deze bedragen minder dan de afboekingen. Het gevolg van dit alles is dat een tekort op de derdengeldrekening is ontstaan waardoor rechthebbenden zijn benadeeld. Met het enkel overleggen van enkele afschriften van deze bankrekening dan wel enkele afschriften van bijboekingen op een zakelijke bankrekening van de onderneming, maakt belanghebbende niet aannemelijk dat vanuit de Stichting Derdengelden uitsluitend betalingen ten behoeve van de zakelijke uitgaven van zijn onderneming werden gedaan. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om in het bijzonder over de afboekingen ten laste van de derdengeldrekening waarvan door de civiele rechter is vastgesteld dat deze niets te maken hebben met het doel waarvoor deze bankrekening wordt aangehouden, bewijs te leveren dat die afboekingen te maken hadden met de zakelijke belangen van de onderneming van belanghebbende. Dat heeft belanghebbende niet gedaan.
Het enkele feit dat de oprichting van de Stichting Derdengelden berustte op een wettelijke verplichting die verband hield met de uitoefening van de advocatenpraktijk van belanghebbende, maakt nog niet dat iedere betaling vanaf die rekening als zakelijke uitgave van de onderneming moet worden aangemerkt. Dat volgt ook niet uit de ‘Modelovereenkomst kantoor-stichting derdengelden’. Het gaat immers om het feitelijke handelen van belanghebbende en niet op het handelen dat is voorgeschreven door de wettelijke regels en dergelijke.
Het hof is dan ook van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag waarvoor [naam 1] belanghebbende aansprakelijk heeft gesteld, als een zakelijke last kan worden aangemerkt. De aan [naam 1] gedane betaling vormt daarom geen (nagekomen) bedrijfslast. Evenmin kan om die reden een dotatie aan een egalisatiereserve dan wel een voorziening als (nagekomen) bedrijfslast in aanmerking worden genomen.”
Belanghebbendes betoog ter zitting dat de onttrekking aan de derdenrekening te maken had met een teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen ten behoeve van zijn taxibedrijf, leidt het hof voor 2012, 2013 en 2014 niet tot een ander oordeel. Het taxibedrijf maakt(e) geen onderdeel uit van de activiteiten van de (IB-)onderneming van belanghebbende, zijnde het verlenen van fiscale advieswerkzaamheden, maar werd geëxploiteerd door de BV. Het hof neemt dan ook deze overwegingen voor deze jaren over.
4.5.
Voor zover belanghebbende ter zitting voor het eerst een beroep doet op het vertrouwensbeginsel of strijd met het recht op een eerlijk proces omdat de correctie met betrekking tot [naam 1] pas in de bezwaarfase is toegepast en in eerdere jaren wel is toegestaan, faalt dat. Het hof beschouwt deze nieuwe standpunten ter zitting als tardief en in strijd met een goede procesorde. Het hof komt tot dit oordeel, omdat de nieuwe standpunten (i) uitbreiding geven aan de rechtsstrijd zoals deze zich heeft ontwikkeld tot aan het moment waarop de stellingen zijn opgeworpen, (ii) tot een nader onderzoek van feitelijke aard dwingen, (iii) van de inspecteur redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij zonder nadere voorbereiding op deze stellingen moet kunnen reageren en (iv) niet valt in te zien waarom belanghebbende de stellingen niet in een eerder stadium van de procedure dan op de zitting naar voren heeft kunnen brengen. Overigens heeft belanghebbende op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de inspecteur in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.
Interne compensatie
4.6.
In de aanslagen IB/PVV over 2012, 2013 en 2014 heeft de inspecteur ten onrechte het nabestaandenpensioen van [Pensioenfonds] in het inkomen begrepen. Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV over 2012 tot en met 2014 de zelfstandigenaftrek toegepast. In zijn aangifte IB/PVV over 2012 heeft belanghebbende verder ten onrechte een dotatie van € 27.500 aan een voorziening opgenomen met de omschrijving ‘Beroepsaansprakelijk [naam 3] .’ Bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV over 2012, 2013 en 2014 heeft de inspecteur de aangiften op deze punten ten onrechte, zie 4.2. en 4.4., niet gecorrigeerd. Aangezien het nabestaandenpensioen in Duitsland is belast, heeft de inspecteur op dit punt de aanslagen bij uitspraak op bezwaar aangepast. Hij heeft echter de aanslagen niet met het volledige bedrag van het nabestaandenpensioen van € 7.517 (2012 en 2013) en € 7.625 (2014) verminderd omdat hij de zelfstandigenaftrek niet heeft geaccepteerd.
4.7.
Belanghebbende betoogt dat de inspecteur ten onrechte de aanslag over 2012 niet heeft verminderd met het nabestaandenpensioen waarover het heffingsrecht alleen aan Duitsland is toegewezen waardoor die inkomsten alsnog in de heffing zijn betrokken. Omdat het heffingsrecht over het nabestaandenpensioen aan Duitsland is toegewezen is het volgens belanghebbende niet vatbaar voor interne compensatie omdat dat buiten de rechtsmacht van de inspecteur valt. Als al interne compensatie is toegestaan dan kan dat voor niet meer dan in Duitsland in de heffing is betrokken en dat is € 2.604 aldus belanghebbende.
4.8.
Het betoog van belanghebbende faalt. Het betoog dat interne compensatie niet is toegestaan wanneer sprake is van inkomsten ter zake waarvan het heffingsrecht aan een ander land is toegewezen, berust op een onjuiste uitleg van de interne compensatie.
De inspecteur heeft zich terecht op interne compensatie beroepen en de aanslagen niet verminderd met het volledige bedrag van het aan Duitsland toegewezen nabestaandenpensioen. Immers, ook in een dergelijk geval is interne compensatie toegestaan aangezien niet per post maar voor de gehele aanslag moet worden bekeken of die niet te hoog is. De omstandigheid dat het inkomensbestanddeel dat gecompenseerd wordt niet in de heffing had mogen worden betrokken, maakt dat niet anders.
Premieheffing volksverzekeringen
4.9.
Belanghebbende stelt dat hij in 2013 en 2014 niet premieplichtig in Nederland was maar in Duitsland omdat hij in Duitsland substantiële werkzaamheden heeft verricht.
4.10.
Belanghebbende woont in Duitsland en werkt gedeeltelijk in Nederland. Hij wordt daarom niet op grond van zijn woonplaats als verzekerde voor de volksverzekeringen aangemerkt. Op basis van artikel 9 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 is een niet in Nederland wonende persoon, die belastbare winst geniet uit Nederlandse onderneming als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet IB 2001, wel verzekerd voor de volksverzekeringen als hij in Nederland arbeid verricht. Daarvan is hier sprake omdat belanghebbende zijn onderneming (gedeeltelijk) uitoefent in de kantoorruimte aan [adres] in [plaats] . Dat betekent dat belanghebbende op basis van Nederlandse wetgeving in Nederland kan worden aangemerkt als premieplichtige voor de volksverzekeringen.
4.11.
Omdat belanghebbende in Duitsland woont, is hij ook in Duitsland premieplichtig en is op hem de Verordening (EG) nr. 883/2004 van toepassing. In artikel 13 is Pro de situatie geregeld van werkzaamheden in twee of meer lidstaten. Artikel 13, lid 2, bepaalt het volgende:
“2. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:
a) de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht,
of
b) de wetgeving van de lidstaat waar zich het centrum van belangen van zijn werkzaamheden bevindt, indien hij niet woont in een van de lidstaten waar hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht.”.
Het begrip substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden is gedefinieerd in artikel 14, lid 8 van Verordening 987/2009. Daar is bepaald:
“Voor de toepassing van artikel 13, leden 1 en 2, van de basisverordening betekent een ‘substantieel gedeelte van de werkzaamheden die in loondienst of anders dan in loondienst’ in een lidstaat worden verricht dat een kwantitatief substantieel deel van alle werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst daar wordt verricht, zonder dat het hierbij noodzakelijkerwijs om het grootste deel van deze werkzaamheden hoeft te gaan. De beoordeling of een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in een lidstaat wordt verricht, gebeurt mede op grond van de volgende indicatieve criteria:
a) in geval van een werkzaamheid in loondienst, de arbeidstijd en/of de bezoldiging, en
b) in geval van een werkzaamheid anders dan in loondienst, de omzet, de arbeidstijd, het aantal verleende diensten en/of het inkomen.
In het kader van een algemene beoordeling geldt een aandeel van minder dan 25 % voor de bovengenoemde criteria als indicatie dat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden niet in de betrokken lidstaat wordt verricht.”.
Het hof zal daarom beoordelen of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2013 en 2014 een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Duitsland heeft verricht. In dat geval is hij premieplichtig in Duitsland omdat hij daar woont.
4.12.
Belanghebbende stelt dat hij een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Duitsland heeft verricht en heeft ter onderbouwing gedeelten van een in Duitsland uitgevoerd boekenonderzoek over 2013 en 2014 en kopieën van passages uit de “Berechnung” van de Einkommensteuer (Duitse aanslagen inkomstenbelasting) over 2013 en 2014 overgelegd. Daarnaast heeft hij gesteld dat hij veel thuis in de avond- en nachturen werkt. De inspecteur bestrijdt gemotiveerd dat belanghebbende een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Duitsland verricht.
4.13.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende met dat wat hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Duitsland heeft verricht. Daarmee neemt het hof in aanmerking dat belanghebbende in 2013 en 2014 kantoorruimte huurde in Nederland en Nederlandse klanten bediende. Verder neemt het hof mee dat belanghebbende in de door hem ingevulde opgaaf NiNbi over 2013 en 2014 een niet in Nederland belastbaar inkomen van € 236 (2013) en nihil (2014) heeft ingevuld. In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de Duitse belastingdienst omzetten van € 40.000 in 2013 en € 60.948 in 2014 heeft gecorrigeerd en dat daaruit volgt dat hij een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Duitsland heeft verricht. Uit de door belanghebbende in hoger beroep overgelegde stukken volgt echter niet op grond waarvan de Duitse Belastingdienst deze correcties heeft doorgevoerd en waar de omzetbedragen op zien. Verder heeft belanghebbende naast de blote stelling dat hij veel thuis werkt niets overgelegd waaruit volgt dat hij in Duitsland een substantieel deel van zijn werkzaamheden heeft verricht. Belanghebbende was daarom in 2013 en 2014 premieplichtig in Nederland.
Proceskosten rechtbank
4.14.
Belanghebbende voert aan dat de rechtbank hem ten onrechte geen vergoeding heeft gegeven voor de reis- en verletkosten die hij heeft moeten maken om de zitting bij de rechtbank bij te wonen.
4.15.
De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld in de verletkosten van belanghebbende voor de zitting van 2 uur tegen belanghebbendes gestelde uurtarief van € 32,50. Voor vergoeding van kosten genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht, andere dan die betreffende beroepsmatig verleende rechtsbijstand, heeft te gelden dat uiterlijk bij het sluiten van het onderzoek ter zitting van de rechtbank of het gerechtshof moet zijn meegedeeld dat en tot welk bedrag die kosten zijn gemaakt [7] . De gedingstukken bevatten geen formulier proceskosten of een ander geschrift waarin belanghebbende een verzoek heeft gedaan om vergoeding van zijn reiskosten. Dat betekent dat belanghebbende in hoger beroep niet alsnog om vergoeding van deze kosten kan verzoeken.
2018 en 2019
4.16.
De rechtbank heeft over 2018 en 2019 het volgende overwogen:
“4. Belanghebbende stelt dat het verzamelinkomen voor het jaar 2018 moet worden gesteld op € 5.180 en voor het jaar 2019 op € 6.002. Belanghebbende voert aan dat hij belang heeft bij de vaststelling van dit verzamelinkomen omdat hij in Duitsland anders (mogelijk) geconfronteerd wordt met navordering.
4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 bij uitspraak op bezwaar verminderd tot aanslagen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Het verzamelinkomen is daarbij ook vastgesteld op nihil. Belanghebbende verzoekt de rechtbank dus om het verzamelinkomen hoger vast te stellen dan de inspecteur bij uitspraken op bezwaar heeft gedaan. Dat is niet mogelijk omdat belanghebbende daardoor niet in een betere (fiscale) positie komt. Belanghebbende heeft dus geen procesbelang bij deze procedure. Zo’n procesbelang wordt ook niet gecreëerd door de eventuele - door belanghebbende overigens niet nader gespecificeerde - gevolgen in Duitsland.”
Het hof acht deze overwegingen juist en op goede gronden gegeven en neemt deze over. Belanghebbende voert in hoger beroep niets aan dat het hof tot een ander oordeel kan leiden.
4.17.
Ter zitting heeft belanghebbende verzocht om ten aanzien van 2018 en 2019 het onderzoek niet te sluiten maar de zaak aan te houden totdat is beslist op zijn verzoek aan de Minister van Financiën om een onderling overlegprocedure te starten als bedoeld in artikel 25 van Pro het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Duitsland. [8] Naar het oordeel van het hof bestaat geen reden om de zaak aan te houden totdat op dit verzoek is beslist. Het hof ziet niet in hoe een onderling overlegprocedure in dit geval tot een ander oordeel ten aanzien van 2018 en 2019 kan leiden. Het hof kan immers niet een hoger belastbaar inkomen vaststellen.
(Immateriële) schadevergoeding
4.18.
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade omdat de inspecteur de (navorderings-)aanslagen over 2018 op onzorgvuldige wijze heeft opgelegd en hij daarom schade heeft geleden.
4.19.
Het hof stelt voorop dat er geen reden is voor een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro omdat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard. Overigens is de belastingrechter niet bevoegd om te oordelen op een verzoek om schadevergoeding, daarvoor is de civiele rechter bevoegd. Het hof zal zich dus net als de rechtbank onbevoegd verklaren om over dit verzoek te oordelen.
4.20.
Daarnaast verzoekt belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil. Het hof wijst dit verzoek af omdat de redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden.
Vergoeding voor de kosten in de bezwaarfase
4.21.
Belanghebbende betoogt dat hij voor alle jaren recht heeft op een vergoeding voor de kosten in de bezwaarfase. Belanghebbende voert aan dat hij recht heeft op een vergoeding van € 325 aan verletkosten.
4.22.
De rechtbank heeft op dit punt het volgende overwogen:
“De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase terecht heeft afgewezen. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase geen hoorgesprek bijgewoond. De verletkosten hebben dan betrekking op de tijd die is gemoeid is met het lezen van stukken, het opstellen van de bezwaarschriften en het in het kader daarvan verrichten van onderzoek. Op basis van artikel I, aanhef en onderdeel d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, en gelet op de bijbehorende Nota van toelichting, bestaat daarvoor geen recht op een vergoeding.”.
Het hof acht deze overweging juist en op goede gronden gegeven en neemt deze over. Belanghebbende voert in hoger beroep niets aan dat het hof tot een ander oordeel kan leiden.
Tussenconclusie
4.23.
De slotsom is dat de hoger beroepen ongegrond zijn.
Ten aanzien van het griffierecht
4.24.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.25.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart de hoger beroepen ongegrond;
  • bevestigt de uitspraken van de rechtbank;
  • verklaart zich onbevoegd om over het verzoek om schadevergoeding te oordelen.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en J. Rietveld in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 11 november 2009, ECLl:NL:RBAMS:2009:BL3599.
2.Gerechtshof Amsterdam 11 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0122.
3.Rechtbank Utrecht 26 mei 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM5678.
4.Gerechtshof Amsterdam 22 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ0340.
5.Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 30 december 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3899.
6.Hoge Raad 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1464.
7.Hoge Raad 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:660.
8.Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 12 april 2012.