Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:844

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.319.401_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:52 lid 1 BWArt. 3:316 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep effectenleaseovereenkomsten: verjaring vernietigingsrecht en betaling saldo

In deze zaak staat centraal of de echtgenote van de afnemer tijdig haar vernietigingsrecht heeft uitgeoefend met betrekking tot twee effectenleaseovereenkomsten. De kantonrechter oordeelde dat de tweede overeenkomst tijdig was vernietigd, maar dat de eerste overeenkomst rechtsgeldig was vernietigd door de afnemer.

Het hof heroverweegt dit oordeel en stelt vast dat de verjaringstermijn van drie jaar voor het vernietigingsrecht is aangevangen op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de eerste overeenkomst. Uit schriftelijke en getuigenverklaringen blijkt dat zij al vóór 13 maart 2000 op de hoogte was, waardoor de verjaringstermijn was verstreken voordat zij de vernietiging in 2006 uitbracht.

Daarmee is de vernietiging van de eerste overeenkomst niet rechtsgeldig en moet Dexia het positieve saldo van die overeenkomst aan de afnemer betalen. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en verklaart dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan na betaling van het totaalbedrag van € 23.379,21, vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en oordeelt dat het vernietigingsrecht van de echtgenote ten aanzien van de eerste effectenleaseovereenkomst is verjaard, waardoor Dexia het positieve saldo moet betalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.319.401
arrest van 24 maart 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
hierna aan te duiden als Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
op het bij exploot van dagvaarding van 11 november 2022 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 9 december 2021 en van 11 augustus 2022 van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen Dexia als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1.Waar gaat deze zaak over

Tussen Dexia en de afnemer zijn twee effectenleaseovereenkomsten (hierna: overeenkomst I en overeenkomst II) gesloten. De echtgenote van de afnemer had geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van deze overeenkomsten. De echtgenote van de afnemer heeft Dexia meegedeeld dat zij, vanwege het ontbreken van toestemming, de overeenkomsten vernietigt (op grond van art 1:88 en Pro 1:89 BW). In deze procedure vordert Dexia voor recht te verklaren dat zij met betrekking tot de tussen haar en de afnemer gesloten overeenkomsten, na betaling van een door de rechtbank vast te stellen bedrag, aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan de afnemer verschuldigd is. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard, zoals Dexia stelt en de afnemer betwist. De kantonrechter heeft in een tussenvonnis ten aanzien van overeenkomst II geoordeeld dat deze tijdig is vernietigd en ten aanzien van de overeenkomst I een bewijsvermoeden aangenomen dat de echtgenote van afnemer vóór 13 maart 2000 kennis heeft gekregen van het bestaan van overeenkomst I. In het kader van het te leveren tegenbewijs zijn de echtgenoten als getuigen gehoord. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat afnemer erin is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen en dat sprake is van een rechtsgeldige vernietiging van overeenkomst I. De kantonrechter heeft de vordering van Dexia voorwaardelijk toegewezen. In dit hoger beroep behandelt het hof de vordering van Dexia met betrekking tot overeenkomst I opnieuw.

2.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9207754 EL 21-18)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de hiervoor vermelde vonnissen.

3.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep,
  • de memorie van grieven,
  • de memorie van antwoord,
  • de akte uitlaten producties van de zijde van Dexia.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

4.De feiten

De door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende:
4.1.
Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na
een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar
rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene
titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.
4.2.
[geïntimeerde] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee staat vermeld, met als wederpartij Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
37001282
19-05-1998
Spaarleasen
180 mnd
ƒ 90.275,40
II.
74417470
08-06-2000
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd
ƒ 52.638,74
4.3.
Dexia heeft met betrekking tot deze leaseovereenkomsten eindafrekeningen
opgesteld met de volgende resultaten:
Nr.
Datum
eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
18-05-2011
+ € 10.970,01
nvt
II.
07-06-2006
- € 5.657,52
ja
4.4.
[persoon A] (verder: [persoon A] ) heeft [geïntimeerde] , met wie zij
ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten was gehuwd, geen (schriftelijke)
toestemming verleend voor het aangaan van deze overeenkomsten.
4.5.
Bij brief van 31 januari 2006 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [persoon A] met een
beroep op artikel 1:89 BW Pro de leaseovereenkomsten vernietigd.
4.6.
Bij brief van 19 februari 2021 heeft Dexia [geïntimeerde] uitgenodigd om hetzij te
bevestigen dat geen sprake meer is van enige vordering, hetzij toe te lichten waarom wel
sprake is van een vordering. [geïntimeerde] heeft hierop niet inhoudelijk gereageerd.

5.De procedure bij de rechtbank

5.1.
In eerste aanleg heeft Dexia gevorderd, na wijziging van eis, te verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten overeenkomsten van effectenlease, na betaling van een door de rechtbank vast te stellen bedrag, aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
5.2.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 9 december 2021 overwogen dat [persoon A] leaseovereenkomst II bij brief van 31 januari 2006 tijdig heeft vernietigd (zie rechtsoverweging 4.9.). Omdat er sprake is van een rechtsgeldige vernietiging heeft de rechtbank overwogen dat Dexia alle betalingen aan [geïntimeerde] ter zake van leaseovereenkomst II dient te restitueren, verminderd met hetgeen hij ter zake van deze leaseovereenkomst van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden en overige uitkeringen (zie rechtsoverweging 4.10).
5.3.
Ten aanzien van Leaseovereenkomst I heeft de kantonrechter een (bewijs)vermoeden aangenomen dat [persoon A] onder meer door kennisname van één of meer bankafschriften (van de en/of rekening) meer dan drie jaar vóór 13 maart 2003 kennis heeft gekregen van het bestaan van deze leaseovereenkomst, zodat Dexia voorshands in het bewijs van haar stelling dat de vernietigingsmogelijkheid ten tijde van het versturen van de vernietigingsbrief was verjaard, is geslaagd (zie rechtsoverweging 4.14 in combinatie met rechtsoverweging 4.8.). [geïntimeerde] is in de gelegenheid gesteld om tegen het bewijsvermoeden tegenbewijs te leveren.
Daarop zijn door de kantonrechter als getuigen gehoord [geïntimeerde] en [persoon A] . Voorafgaand aan het getuigenverhoor hebben [geïntimeerde] en [persoon A] telefonisch de vragen als geformuleerd in het tussenvonnis beantwoord aan de gemachtigde van [geïntimeerde] , die daarvan schriftelijke verklaringen heeft opgesteld. Deze verklaringen zijn ter gelegenheid van het getuigenverhoor door [geïntimeerde] en [persoon A] ondertekend en aan het proces-verbaal zijn gehecht.
5.4.
Bij eindvonnis van 11 augustus 2022 heeft de kantonrechter [geïntimeerde] geslaagd geoordeeld in het ontzenuwen van het bewijsvermoeden, zodat ook sprake is van een rechtsgeldige vernietiging van overeenkomst I (zie rechtsoverweging 2.10). De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia met betrekking tot Leaseovereenkomsten I en II aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van € 30.523,37, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.

6.De vordering en het verweer in hoger beroep

6.1.
Dexia is onder aanvoering van twee grieven in hoger beroep gekomen. De eerste grief heeft betrekking op het oordeel dat [geïntimeerde] geslaagd is het bewijsvermoeden als geformuleerd onder overweging 4.14 van het tussenvonnis te ontzenuwen. De twee grief is gericht tegen de proceskostenveroordeling van Dexia. Dexia vordert zowel het tussenvonnis als het eindvonnis te vernietigen en haar vorderingen alsnog volledig toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
6.2.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten in hoger beroep.

7.De beoordeling in hoger beroep

Geen grieven gericht tegen oordeel ten aanzien van Leaseovereenkomst II
7.1.
Het hof stelt voorop dat Dexia geen grieven heeft gericht tegen het tussenvonnis van 9 december 2021. Daarin heeft de kantonrechter onder meer overwogen (zie rechtsoverweging 4.10.) dat Leaseovereenkomst II tijdig door de echtgenote van [geïntimeerde] is vernietigd. De kop van haar eerste grief luidt weliswaar (onderstreping van het hof):
“Geen tijdige vernietiging van de Overeenkomstenen ook in randnummer 8 van haar memorie van grieven heeft Dexia opgenomen:
“Hetgeen de rechter in eerste aanleg overweegt omtrent het moment van daadwerkelijke bekendheid van [persoon A] met de Overeenkomstenis, gezien de inhoud van de schriftelijke verklaringen en het getuigenverhoor, onterecht.”, maar de inhoud van deze grief ziet op de bewijswaardering in het eindvonnis van de schriftelijke verklaringen in combinatie van de getuigenverklaringen van [geïntimeerde] en [persoon A] . Deze bewijswaardering heeft uitsluitend betrekking op Leaseovereenkomst I omdat de kantonrechter bij tussenvonnis in overweging 4.10 al heeft geoordeeld dat Leaseovereenkomst II rechtsgeldig is vernietigd, daarop ziet de bewijsopdracht niet. Nu tegen dat oordeel geen inhoudelijke grief is gericht en ook [geïntimeerde] blijkens de memorie van antwoord het hoger beroep zo heeft opgevat (en dit ook heeft mogen doen) dat dit alleen ziet op het eindvonnis ten aanzien van Leaseovereenkomst I, verstaat het hof de omvang van het hoger beroep aldus dat de beslissingen van de kantonrechter in het tussenvonnis, waaronder ten aanzien van Leaseovereenkomst II (en de bewijslastverdeling) niet worden bestreden. Voor zover het hoger beroep tevens is gericht tegen het tussenvonnis, zal Dexia in het beroep daarvan (wegens een gebrek aan grieven) niet-ontvankelijk worden verklaard.
Grief I, tijdige vernietiging van Leaseovereenkomst I?
7.2.
Zoals de kantonrechter heeft geoordeeld (zie rechtsoverweging 4.3. van het tussenvonnis) bedraagt de verjaringstermijn van het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW Pro op grond van artikel 3:52, lid 1, aanhef en onder d, BW drie jaar gerekend vanaf het moment waarop de bevoegdheid tot vernietiging ten dienste is komen te staan aan de echtgenoot van wie de toestemming (de schriftelijke toestemming van artikel 1:88 lid 3 BW Pro die in dit geval ontbreekt) was vereist. Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging van een effectenleaseovereenkomst door de niet-handelende echtgenoot, wegens het ontbreken van toestemming, aan op het moment dat die echtgenoot daadwerkelijk (subjectief) bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Het is niet zo dat van daadwerkelijke bekendheid in voormelde zin pas sprake is zodra de niet-handelende echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was om de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is bepalend welke feiten en omstandigheden bij de niet-handelende echtgenoot bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866 en HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1168).
7.3.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat de Hoge Raad in het arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft geoordeeld dat als gevolg van de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie door onder meer de Stichting Eagalease de verjaring van de bevoegdheid van de niet-handelende echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Omdat voor de onderhavige rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de bevoegdheid van de echtgenoten is gestuit voor alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in situaties waarin overeenkomsten weliswaar eerder zijn gesloten, maar de echtgenoot pas na 13 maart 2000 bekend raakte met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan nadat de niet-handelende echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst en de verjaring wordt binnen drie jaren gestuit als gevolg van de collectieve actie.
7.4.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) blijkt voorts dat de eenmaal aangevangen stuiting doorloopt tot 6 maanden na het einde van de collectieve procedure. Die procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vordering (zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW Pro). Derhalve diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht.
7.5.
Vast staat dat de verjaring voor het eerst op 13 maart 2003 is gestuit, namelijk door de aanvang van de genoemde collectieve procedure. De verklaring tot vernietiging van [persoon A] is uitgebracht op 31 januari 2006, dus nog voordat de collectieve procedure in 2007 eindigde. Dat betekent dat het vernietigingsrecht van [persoon A] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn vóór 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [persoon A] vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomst.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden aangenomen dat [persoon A] onder meer door kennisname van één of meer bankafschriften van de en/of rekening ten aanzien van overeenkomst I meer dan drie jaar vóór 13 maart 2003 kennis heeft gekregen van het bestaan van deze overeenkomst, zodat Dexia voorshands in het bewijs van haar stelling (toev hof: te weten dat de bevoegdheid om de vernietiging van het aangaan van de overeenkomst I in te roepen is verjaard) is geslaagd. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] bij vermeld tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om tegen het bewijsvermoeden tegenbewijs te leveren.
Anders dan de kantonrechter, is het hof van het oordeel dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het leveren van het aan hem opgedragen tegenbewijs. Daartoe overweegt het hof als volgt.
7.6.
Uit de schriftelijke verklaringen van [persoon A] en [geïntimeerde] in onderling verband en samenhang bezien met hun getuigenverklaringen blijkt dat [persoon A] vanaf het sluiten van de overeenkomst daadwerkelijk met het bestaan van Leaseovereenkomst I bekend is geworden.
[geïntimeerde] heeft daarover schriftelijke verklaard (welke schriftelijke verklaring aan het proces-verbaal van getuigenverhoor is gehecht) als antwoord op de volgende vragen:
b.
Op welke wijze is (zijn) het (de) inde procedure betrokken effectenleasecontract(en) (hierna de contracten) tot stand gekomen? Is in verband daarmee een tussenpersoon thuis op bezoek gekomen? Zo ja, wie waren daarbij aanwezig?
Luidt het antwoord:
“Ik ben een keer gebeld door Dexia met goede verhalen. Ik heb papieren toegestuurd gekregen. Er is niemand thuis geweest. Ik had het doel om te sparen en op deze manier zou het meer opleveren dan bij de bank. Ik heb mijn vrouw verteld dat ik ging sparen, maar niet waar of hoe ik dat ging doen. Ik kon er ook niets meer over zeggen want ik dacht dat ik gewoon ging sparen. (…)”
En op vraag c:
“Uit welke bron(nen) en van welke bankrekening(en) kwam het geld voor de inleg vandaag?”
Luidt het antwoord:
“De inleg betaalde ik via de en/of rekening van mijn salaris.”
En op vraag e:
“Welke bankrekeningen hadden de contractant en de echtgenoot?
En per bankrekening:
  • op welke na(a)m(en) was deze gesteld,
  • (…)”
Luidt het antwoord:
“Er was één gezamenlijke rekening waarvan alles werd betaald. Wij hadden beide een pasje van deze rekening. (…)”
[persoon A] heeft daarover schriftelijk verklaard (welke schriftelijke verklaring aan het proces-verbaal van getuigenverhoor is gehecht) als antwoord op de volgende vraag b:
“Op welke wijze is (zijn) het (de) in de procedure betrokken effectenleasecontract(en) (hierna: de contracten) tot stand gekomen? Is in verband daarmee een tussenpersoon thuis op bezoek gekomen? Zo ja, wie waren daarbij aanwezig?”
Antwoord:
“Nee, dat wist ik niet. Ik wist wel dat mijn man spaarde, zo’n 500 gulden in de maand. Waar en hoe hij dat deed wist ik niet. Daar bemoeide ik mij niet mee.”
En op vraag c:
“Uit welke bron(nen) en van welke bankrekening(en) kwam het geld voor de inleg vandaag?”
Luidt het antwoord:
“Ik wist dat er maandelijks een bedrag opzij gezet werd om te sparen. Dat het van de rekening ging wist ik ook. Van een belegging met geleend geld was heb ik niet geweten tot aan de media aandacht.”
En op vraag e:
“Welke bankrekeningen hadden de contractant en de echtgenoot?
Een per bankrekening:
  • op welke na(a)m(en) was deze gesteld,
  • (…)”
Luidt het antwoord:
“Wij hadden de en/of rekening bij de Rabobank. Deze rekening werd voor alles gebruikt.”
En op vraag f:
“Welke inkomsten(bronnen) hadden de contractant en de echtgenoot en op welke bankrekening(en) werden deze inkomsten gestort?”
Luidt het antwoord:

Wij hadden maar één rekening dus daar kwam ons salaris ook op binnen.”
Hieruit volgt dat [persoon A] er van op de hoogte was dat de gezamenlijk rekening zou worden gebruikt om maandelijkse betalingen onder de overeenkomst te verrichten. Dit betreft de periode vóór 13 maart 2000 omdat [persoon A] als getuige ook heeft verklaard:
“Toen mijn man de betreffende overeenkomsten tekende heeft hij mij gezegd dat we gingen sparen.”Dit betekent dat [persoon A] wist, vanaf het ondertekenen van Leaseovereenkomst I, van het bestaan van een financieel product dat kennelijk aanleiding gaf tot een periodiek beroep op de gezinsfinanciën. Dat zij daarbij in de veronderstelling verkeerde dat het hier om een spaarregeling ging, is niet van belang. Zoals hierboven is overwogen, is immers niet vereist dat de niet-handelende echtgenoot bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden (vgl. ECLI:NL:GHSHE:2014:3531, ECLI:NL:GHSHE:2019:2534 en ECLI:NL:GHSHE:2023:1312).
7.7.
Op grond van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat [persoon A] al vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met Leaseovereenkomst I, namelijk vanaf het sluiten van deze overeenkomst op 19 mei 1998, althans vanaf de ontvangstdatum van (in of omstreeks 1998) van het oudste bankafschrift van de en/of rekening waarop betalingen terzake van de overeenkomst I staan vermeld. Het door de kantonrechter bij tussenvonnis aangenomen bewijsvermoeden is dus niet ontzenuwd, terwijl Dexia met deze schriftelijke en getuigenverklaringen aanvullend bewijs heeft bijgebracht van haar stelling [persoon A] vanaf het ondertekenen van overeenkomst I door [geïntimeerde] daarvan op de hoogte was.
Aangezien een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid van [persoon A] tot vernietiging van Leaseovereenkomst I niet tijdig is gestuit door de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie. De bevoegdheid van [persoon A] om de vernietiging is te roepen was dus al verjaard toen zij dat bij brief van 31 januari 2006 deed.. Het beroep van [geïntimeerde] op de ingeroepen vernietiging van de overeenkomst I faalt dus.
7.8.
Nu [persoon A] te laat de vernietiging van Leaseovereenkomst I heeft ingeroepen, is deze overeenkomst niet rechtsgeldig vernietigd, in zoverre treft grief I doel. Zoals hiervoor onder overweging 4.3. is opgenomen, volgt uit de eindafrekening een positief te ontvangen saldo uit hoofde van Leaseovereenkomst I van € 10.970,01. Dit bedrag zal door Dexia dus moeten worden betaald aan [geïntimeerde] . Hoewel Leaseovereenkomst II niet in dit hoger beroep is betrokken zal het hof omwille van de leesbarheid van dit arrest het hele vonnis vernietigen en daarbij geldt dat zoals de kantonrechter heeft overwogen, ten aanzien van Leaseovereenkomst II, die dus wel rechtsgeldig is vernietigd, Dexia aan [geïntimeerde] dient te betalen: de betaalde termijnen en betaalde restschuld minus de bedragen die [geïntimeerde] heeft ontvangen uit hoofde van de overeenkomst dus:
Betaalde leasetermijnen totaal € 8.173,47
Betaalde restschuld
€ 5.657,52+
Uitgekeerde dividenden en claims
€ 1.421,73-
Te betalen door Dexia € 12.409,26
Bij elkaar is dat een totaalbedrag van uit hoofde van Leaseovereenkomst I € 10.970,01 + uit hoofde van Leaseovereenkomst II € 12.409,26 = € 23.379,21.
De wettelijke rente
7.9.
De kantonrechter heeft in het eindvonnis in rechtsoverwegingen 2.12 tot en met 2.13.4 overwogen hoe de wettelijke rente toewijsbaar is. Hiertegen is niet gegriefd zodat de wettelijke rente ten aanzien van Leasovereenkomst II zal worden toegewezen zoals de kantonrechter heeft geoordeeld. Voor de leesbaarheid van dit arrest herhaalt het hof deze overwegingen:
“2.12. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim was, zijnde vanaf een termijn van vier weken na de vemietigingsbrief, waarna er immers redelijkerwijs vanuit mocht worden gegaan dat Dexia niet in de vernietiging berustte, zijnde 1 maart 2006.
2.13.
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar als volgt.
2.13.1.
Dexia is vanaf bovengenoemde ingangsdatum wettelijke rente verschuldigd over het saldo[hof: van Leasovereenkomst II]
van hetgeen aan Dexia is betaald minus hetgeen van Dexia is ontvangen.
2.13.2.
Telkens indien na bovengenoemde ingangsdatum door Dexia een bedrag (exclusief wettelijke rente) is betaald ter zake van een overeenkomst, is vanaf de datum van die betaling de wettelijke rente verschuldigd over hetgeen na aftrek van dat bedrag (exclusief wettelijke rente) nog door Dexia verschuldigd is.
2.13.3.
De wettelijke rente is verschuldigd tot aan de datum van de voldoening van al
hetgeen Dexia op grond van de hiervoor onder rov. 2.11. bedoelde berekeningswijze
verschuldigd is.
2.13.4.
Voor zover Dexia in het verleden reeds wettelijke rente heeft voldaan kan deze in mindering worden gebracht op het totale bedrag aan wettelijke rente dat Dexia op grond van het voorgaande verschuldigd is.”
7.10.
De gevorderde wettelijke rente over het positieve saldo van Leaseovereenkomst I is toewijsbaar vanaf 18 mei 2011, zijnde de datum van de eindafrekening.
Grief II, de proceskosten
7.11.
Het hof ziet in de omstandigheid dat beide partijen op hoofdpunten als in het ongelijk gesteld zijn te beschouwen, aanleiding de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep te compenseren als hierna volgt.
Bewijsaanbod
7.12.
Het bewijsaanbod van beide partijen zal worden gepasseerd omdat dit niet is toegesneden op een of meer stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden.

8.De uitspraak

Het hof:
- verklaart Dexia niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het (tussen)vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 9 december 2021;
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 11 augustus 2022 en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot Leasovereenkomsten I en II aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van het bedrag van € 23.379,21, als onder rov. 7.6. is weergegeven, te vermeerderen met de wettelijke rente als bepaald in rov. 7.7. en 7.8.;
- compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, E.A.M. van Oorschot en R.A. van der Pol en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 maart 2026.
griffier rolraadsheer