Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:952

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
24/1024
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 AWRArt. 20 lid 1 AWRArt. 20 lid 3 AWRArt. 26 lid 2 Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012Art. 91 lid 2 WA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag accijns rode diesel ondanks betwisting bekendmaking

Belanghebbende, enig aandeelhouder en bestuurder van een B.V., werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag accijns en voorraadheffing over de jaren 2017 en 2018 wegens het voorhanden hebben van rode diesel zonder vergunning. De inspecteur baseerde de aanslag op een overzicht van leveringen uit België en diverse bewijsmiddelen, waaronder tapgesprekken en verklaringen van een medewerker.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde belanghebbende dat de naheffingsaanslag niet tijdig en op juiste wijze was bekendgemaakt. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende had gemotiveerd dat de aanslag niet was ontvangen, mede omdat de gemachtigde niet had nagevraagd bij belanghebbende zelf.

Het hof bevestigde dat de inspecteur de aanslag tijdig per aangetekende post had verzonden en dat de inhoudelijke beoordeling van de aanslag juist was, gelet op het bewijs dat belanghebbende de rode diesel voorhanden had. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag accijns en voorraadheffing op rode diesel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1024
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 juni 2024, nummer BRE 23/3363, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Douane,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft over de tijdvakken in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag accijns van minerale oliën en een naheffingsaanslag voorraadheffing opgelegd (hierna samen: de naheffingsaanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. Met instemming van beide partijen is het bezwaar behandeld als een rechtsreeks beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .
1.6.
De inspecteur heeft tijdens de zitting, zonder bezwaar van de andere partij, een nader stuk overgelegd.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is in de in geschil zijnde jaren enig aandeelhouder en tot 8 oktober 2018 tevens bestuurder van [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ). Belanghebbende heeft op 28 juni 2017 namens [B.V. 1] een huurovereenkomst gesloten voor het huren van de loods aan de [adres 1] in [plaats] (hierna: de loods). Voor de loods is geen vergunning voor een accijnsgoederenplaats verleend.
2.2.
Bij de Belastingdienst/Douane is op 21 november 2016 een telefonische tip binnengekomen dat belanghebbende gebruikmaakt van vrachtwagens die op rode diesel (minerale oliën waaraan herkenningsmiddelen zijn toegevoegd) rijden en dat belanghebbende rode diesel zou kopen in België en zou verkopen aan onder andere boeren en transportbedrijven in Nederland. Naar aanleiding daarvan is de Belastingdienst/Douane een onderzoek gestart met de naam ‘Red Oil’. Het proces-verbaal ‘Red Oil’ en het overzichtsproces-verbaal behoren tot de stukken van het geding.
2.3.
De politie heeft tijdens een controle op 27 november 2017 op het terrein achter de loods een aanhanger aangetroffen met daarin een opslagtank met een tankslang en pomp. Mede naar aanleiding daarvan heeft op 8 februari 2018 een controle en vervolgens doorzoeking plaatsgevonden bij de loods. Op het terrein van de loods en bij de loods zijn opslagtanks (hierna: IBC’s) aangetroffen met daarin (restanten van) rode diesel, tank/pompinstallaties en administratie met facturen van de levering van ‘gasolie extra’ door bedrijven in België aan onder meer [B.V. 1] . De aanduiding ‘gasolie extra’ ziet op rode diesel.
2.4.
Op 29 maart 2018 is belanghebbende samen met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) op heterdaad betrapt en aangehouden door de politie terwijl zij rode diesel aan het overpompen waren vanuit op een aanhangwagen geplaatste IBC in een vrachtwagen.
2.5.
[naam 1] heeft in een verhoor door de politie verklaard dat:
  • wanneer hij voor belanghebbende werkte, belanghebbende altijd voor diesel zorgde;
  • het dan om rode diesel ging. Er zo veel geld bespaard kon worden, want rode diesel kost in België maar 60 cent;
  • verschillende personen in opdracht van belanghebbende rode diesel zijn gaan halen in België;
  • het halen ging met een truck met oplegger waarin 26 IBC’s stonden;
  • [naam 1] in totaal zo'n 26 duizend liter rode diesel tankte;
  • belanghebbende de rode diesel betaalde.
2.6.
[naam 1] heeft in een verhoor van de Belastingdienst/Douane onder meer het volgende verklaard:
  • belanghebbende tankte de trekker af en zorgde er altijd voor dat er diesel in zat;
  • de rode diesel komt uit België;
  • belanghebbende ging de rode diesel zelf halen of hij regelde iemand die dat ging halen. Hij deed dat met de IBC’s;
  • belanghebbende betaalde de rode diesel cash of via de bank;
  • belanghebbende is de baas, dus die bepaalt. Het is belanghebbendes materiaal en zijn risico;
  • belanghebbende regelde de brandstof of hij regelde contant geld of een pasje;
  • belanghebbende tankt twee tot drie keer per week rode diesel;
  • belanghebbende heeft verteld dat hij in België mensen benadert om diesel te kopen en dat hij dan zorgt dat hij eerst voorraad heeft voor zijn eigen bedrijf en wat hij overhoudt hij probeert te verkopen;
  • [naam 1] ervan uitgaat dat de rode diesel aan boeren wordt verkocht en dat hij ook weleens van belanghebbende aan boeren moest leveren;
  • [naam 1] weleens rode diesel vanuit België heeft vervoerd en ook iemand anders. Belanghebbende was altijd de opdrachtgever;
  • de rode diesel uit België werd eerst in [plaats 3] gelost, voordat de loods in [plaats] werd gehuurd.
2.7.
In het overzichtsproces-verbaal zijn onder meer de volgende tapgesprekken
opgenomen waarin belanghebbende met “ [voornaam 1] ” of “ [letter 1] ” wordt aangeduid:

4.7 Tapverslagen
In de tapverslagen verkregen uit onderzoek "Tureluur" valt, ten aanzien van de aankoop en handel in diesel door [belanghebbende] , onder andere het volgende te lezen:
In een uitgewerkt tapverslag van 02 maart 2018 met sessienummer [nummer 1] , tussen [voornaam 2] ( [letter 2] ) en [voornaam 1] ( [letter 1] ) valt onder andere te lezen:
" [letter 1] : moet nog iemand voor Belgie die wat ophaald, mooi klusje voor jou
[letter 2] : Wat moet je doen dan
[letter 1] : Dat ene spul ophalen, dat oranje, ranja
[letter 2] : O wat je in vrachtauto flikkert, hoeveel dan
[letter 1] : twee in 1 keer
[letter 2] : Ik heb geen BE rijbewijs
[letter 1] : Ik kan het niet doen, als je hier gepakt zou worden krijg je 200 300 boete, bij mij zijn ze even lastiger
[letter 2] : Wil ik wel doen
[letter 1] :Deze week aan de pomp tanken, krijg hartverzakking
[letter 2] : Wil ik wel doen, kan dat morgen
[letter 1] : Kan wel morgen, moet wel even kijken waar, bij Tewen ( fon )"
In een uitgewerkt tapverslag van 16 maart 2018 met sessienummer [nummer 2] , tussen [voornaam 1] en [naam 3] ( [naam 3] ) ( [naam 3] ) valt te lezen:
[voornaam 1] vraagt wat de prijs doet en of [naam 3] hem al heeft laten zakken.
[naam 3] zegt: toch wel een cent; 59
[voornaam 1] : Kijk dat klinkt alweer beter... dat praat alweer 100% makkelijker..100%...als het
maar zakt..dat vind ik al lekker
[naam 3] : Ja, er komt een dat dat het omdraait... 2x
[voornaam 1] : jajaja dat wou ik zeggen... die uh.. ik wou morgen x wat op komen halen als dat kan., wat heb je het liefste., dat ik het overboek of moet ik DIE JONGEN contant meegeven., wat heb je het liefst?
[naam 3] : geef maar geld mee., dat heb ik het liefst
[voornaam 1] : Hahaha hij houdt van geld
[naam 3] : Hoe laat ongeveer morgen?
[voornaam 1] : Weet ik niet., dat zat rond de middag denk ik., hij heeft de hele dag aan tijd die jongens., kan ik wel vroeg wag laten rijden
[naam 3] : Stuurt hem maar voor de middag als het kan
[voornaam 1] : Nouw dan zal ik dat proberen te organiseren
[naam 3] : Ja is goed..als het in de loop van de voormiddag
In een samengevat tapverslag van 16 maart 2018 met sessienummer [nummer 3] , tussen [voornaam 1] en [naam 4] valt te lezen:
[voornaam 1] vraagt of hij dadelijk met een bankpasje aan de pomp kan tanken. [naam 4] zegt dat de pomp dag en nacht open is. [voornaam 1] vraag of hij er dan gasolie heeft opzitten. [naam 4] : Dat is hetzelfde als pomp zes.
[voornaam 1] : Kun je dan volgende week wel een a4 formaat factuur van maken?
[naam 4] : Je krijgt die aan het eind van de maand een factuur. Alles wat je aan het tankstation tankt krijg je aan het eind van de maand.
(…)
In een uitgewerkt tapverslag van 19 maart 2018 met sessienummer [nummer 4] , tussen
[voornaam 1] en [naam 5] valt te lezen:
[voornaam 1] : (…) stond ik daar in Belgie bij [naam 3] weer de diesel op. Man man. Ja iedere keer, ja ik was snachts aan het tanken. Bij iedere 100 euro moest je weer apart weer dat ding er in steke (…) We moeten dat tanken even anders gaan aanpakken.”
2.8.
Op een verzoek om wederzijdse bijstand hebben de Belgische autoriteiten een overzicht (hierna: het overzicht) verstrekt van leveringen van rode diesel door Belgische bedrijven aan onder meer [B.V. 1] in de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 april 2018. Uit het overzicht volgt dat in het jaar 2017 aan [B.V. 1] in totaal 18 leveringen hebben plaatsgevonden van in totaal 237.932 liter. Voor de periode 1 januari 2018 tot en met 30 april 2018 zijn dit 7 leveringen van in totaal 79.441 liter.
2.9.
Op 1 december 2022 heeft de inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is om over de kalenderjaren 2017 en 2018 accijns van minerale oliën en een voorraadheffing na te heffen over de volgens het overzicht aan [B.V. 1] geleverde rode diesel. De mededeling bevat de volgende berekeningen:
Berekening 2017(afgerond)
237.932 / 1.000 x € 485,92 =
€ 115.615,00
(accijns)
237.932 / 1.000 x € 8,00 =
€ 1.903,00
(voorraadheffing)
€ 117.518,00
Berekening 2018(afgerond)
79.441 / 1.000x € 489,81 =
€ 38.911,00
(accijns)
79.441 / 1,000 x € 8,00 =
€ 635,00
(voorraadheffing)
39.546,00
2.10.
Belanghebbende heeft niet binnen de door de inspecteur gestelde termijn gereageerd en vervolgens heeft de inspecteur conform zijn voornemen de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 157.064. De naheffingsaanslag is gedagtekend op 15 december 2022. Tegelijkertijd heeft de inspecteur bij beschikking € 27.567 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.11.
Belanghebbende heeft op 16 februari 2023 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Over de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag (door de rechtbank aangeduid als “de tweede naheffingsaanslag”) heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Is het beroep tegen de tweede naheffingsaanslag ontvankelijk?
5. De tweede naheffingsaanslag is gedagtekend op 15 december 2022 en belanghebbende heeft op 16 februari 2023 daartegen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift, dat door de prorogatie als beroepschrift wordt aangemerkt, is niet binnen de termijn van zes weken, en dus niet tijdig, ingediend. Dit betekent dat het beroep in beginsel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Dat is alleen anders als “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest”, oftewel als de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De inspecteur heeft verklaard dat hij van mening is dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat hij de gemachtigde pas op 30 januari 2023, dus na het einde van de bezwaartermijn, op de hoogte heeft gesteld van de tweede naheffingsaanslag. De rechtbank volgt de inspecteur in dat standpunt. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk is. De rechtbank zal daarom de juistheid van de tweede naheffingsaanslag inhoudelijk beoordelen.” (citaat zonder voetnoten)
2.12.
Op 17 augustus 2021 heeft de rechtbank Overijssel in de strafzaak [1] tegen belanghebbende geoordeeld dat bewezen is verklaard dat (i) [B.V. 1] in de periode 5 april 2017 tot en met 10 april 2018 in Nederland opzettelijk een accijnsgoed voorhanden heeft gehad dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns (hierna: de WA) in de heffing was betrokken, omdat [B.V. 1] 237.932 liter (2017) en 79.441 liter (2018) gasolie extra, zijnde rode diesel, vanuit België voorhanden heeft gehad, aan welke gedraging belanghebbende feitelijk leiding heeft gegeven, en (ii) belanghebbende in de periode 5 januari 2018 tot en met 29 maart 2018 in Nederland opzettelijk rode diesel buiten een accijnsschorsingsregeling voorhanden heeft gehad.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
  • Is de naheffingsaanslag tijdig en op de juiste wijze aan belanghebbende bekend gemaakt?
  • Is de naheffingsaanslag naar het juiste bedrag opgelegd?
3.2.
Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering naar een niet nader gespecificeerd bedrag en tot veroordeling van de inspecteur in de proceskosten (inclusief de kosten van de bezwaarprocedure). De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Bekendmaking van de naheffingsaanslag
4.1.
De accijns van minerale oliën en de voorraadheffing [2] zijn rijksbelastingen die op aangifte moeten worden voldaan. Indien accijns en voorraadheffing die op aangifte behoren te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen [3] . De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan [4] .
4.2.
Volgens artikel 5 AWR Pro geldt de dagtekening van het aanslagbiljet als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag. Voor het antwoord op de vraag of de aanslag binnen de termijn van artikel 20, lid 3, AWR is opgelegd, is echter de datum van bekendmaking beslissend. [5] Bekendmaking van een belastingaanslag geschiedt door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet.
4.3.
Gemachtigde stelt dat de naheffingsaanslag buiten de vijfjaarstermijn en niet op een juiste wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt en dat ook hijzelf (gemachtigde) pas na het verlopen van de bezwaartermijn op de hoogte is gesteld. Gemachtigde betoogt dat de naheffingsaanslag daarom moet worden vernietigd.
4.4.
De inspecteur geeft toe dat gemachtigde pas op 31 januari 2023 een afschrift van de naheffingsaanslag heeft ontvangen, maar stelt dat de naheffingsaanslag op 15 december 2022 (en dus tijdig) per aangetekende post aan belanghebbende is verzonden. Hij wijst erop dat belanghebbende pas in hoger beroep de stelling heeft ingenomen dat er iets mis zou zijn met de bekendmaking van de naheffingsaanslag aan belanghebbende en acht deze stelling daarom ongeloofwaardig. De inspecteur heeft ter zitting een kopie van een bewijs van verzending van een aangetekend poststuk aan belanghebbende overgelegd, waarvan de inspecteur stelt dat deze als verzendbewijs van dit stuk is opgenomen in zijn dossier.
4.5.
Desgevraagd heeft gemachtigde ter zitting aangegeven dat hij nimmer bij belanghebbende heeft geïnformeerd of en, zo ja, wanneer deze de naheffingsaanslag heeft ontvangen. Op de vervolgvraag van het hof waarop hij dan zijn stelling dat de naheffingsaanslag “buiten de vijfjaarstermijn en niet op een juiste wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt” baseert, heeft gemachtigde aangegeven dat hij dit standpunt heeft ingenomen omdat het procesdossier geen bewijs van verzending van de naheffingsaanslag bevat.
4.6.
In het algemeen mogen aan de motivering van een stelling als de onderhavige geen zware eisen worden gesteld, omdat een belastingplichtige nu eenmaal niet in de keuken van de Belastingdienst, de verzender, kan kijken. Maar wat hij wel kan, is aangeven of en wanneer hij de naheffingsaanslag heeft ontvangen. Omdat de gemachtigde heeft nagelaten navraag te doen bij belanghebbende over het feitelijk al dan niet ontvangen van de naheffingsaanslag, komt het hof tot het oordeel dat niet is voldaan aan de plicht om gemotiveerd te stellen dat de naheffingsaanslag te laat is verzonden. Om deze reden faalt belanghebbendes stelling.
Voorhanden hebben van de rode diesel
4.7.
Op grond van de WA is het niet toegestaan minerale oliën die zijn voorzien van voorgeschreven herkenningsmiddelen, waaronder rode diesel, buiten een accijnsschorsingsregeling of een douaneschorsingsregeling voorhanden te hebben anders dan de in de wet genoemde uitzonderingssituaties. [6] Gesteld noch gebleken is dat zich een van deze uitzonderingssituaties heeft voorgedaan bij de door de Belgische bedrijven aan [B.V. 1] geleverde rode diesel.
4.8.
Het in strijd met de wettelijke bepalingen voorhanden hebben, opslaan of gebruiken van rode diesel wordt aangemerkt als uitslag tot verbruik ter zake waarvan accijns wordt verschuldigd. [7] De accijns wordt geheven van de persoon die minerale oliën voorhanden heeft, opslaat of gebruikt. [8] De inspecteur heeft de bewijslast dat belanghebbende de rode diesel in strijd met wettelijke bepalingen voorhanden heeft gehad.
4.9.
De inspecteur stelt dat belanghebbende de rode diesel die in de jaren 2017 en 2018 aan [B.V. 1] is geleverd in Nederland voorhanden heeft gehad en daarom daarover accijns is verschuldigd. De inspecteur is daarbij uitgegaan van het aantal liters rode diesel die staan vermeld in het overzicht van de Belgische autoriteiten.
4.10.
Belanghebbende stelt dat hij alleen op 8 februari 2018 en 29 maart 2018 rode diesel voorhanden heeft gehad.
4.11.
De rechtbank heeft in dat kader het volgende overwogen:
“De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende de rode diesel voorhanden heeft gehad. De leveringen vanuit België aan [B.V. 1] volgen uit het overzicht van de Belgische autoriteiten en de in het dossier aanwezige facturen. Op veel van die facturen staat ‘afgehaald [datum]’. Belanghebbende was op dat moment enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 1] . Uit de tapgesprekken, de verklaringen van [naam 1] en de overige bevindingen van de Belastingdienst/Douane volgt dat belanghebbende ook degene is die via zijn contacten in België de inkoop en leveringen regelde, die de rode diesel in België heeft opgehaald en naar Nederland heeft vervoerd, dan wel iemand anders op zijn verzoek dat heeft laten doen, en die vervolgens de rode diesel in Nederland voorhanden heeft gehad om te gebruiken of te verkopen. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat bij de doorzoeking op 8 februari 2018 op het terrein van de loods en bij de loods IBC’s zijn aangetroffen met daarin (restanten van) rode diesel en dat belanghebbende degene was die rode diesel aan het overpompen was toen hij op 29 maart 2018 is aangehouden door de politie. Voorgaand oordeel is in overeenstemming met de uitspraak van de strafrechter in de strafzaak tegen belanghebbende.”
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof maakt deze beslissing tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd, die tot een ander oordeel leiden. Daarom handhaaft het hof de naheffingsaanslag en de daarbij gegeven rentebeschikking.
Tussenconclusie
4.12.
Het hoger beroep is ongegrond.
Ten aanzien van het griffierecht
4.13.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.14.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, E.P.A. Brakeboer en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters B.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Rechtbank Overijssel 17 augustus 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:3249.
2.Artikel 26, lid 2, Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012.
3.Artikel 20, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).
4.Artikel 20, lid 3, AWR.
5.Vgl. Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930.
6.Artikel 91, lid 2, WA.
7.Artikel 1 WA Pro in verbinding met artikel 2, lid 4, WA.
8.Artikel 51, lid 1, letter e, WA.